Lees hier ons Privacy Statement en Cookie Statement
zondag 24 juni

Hoofdartikelmaandag, 26 februari 2018

En dan nu aandacht voor de amateurs
Met de slotceremonie van de Olympische Spelen achter de kiezen zullen velen vandaag de korte samenscholingen voor de televisie op de werkvloer missen. Anderen hebben zich de afgelopen weken zitten verbijten over deze wereld waarin alles uit zijn verband getrokken lijkt: de opwinding in de media, het tot het uiterste vergen van de lichamen van de sporters, de milliseconden verschil tussen winnaar en de rest, de uitgaven aan infrastructuur, stadions en hotels, wellicht voor eenmalig gebruik - wie kent niet de beelden van olympische sportpaleizen die in een paar jaar tijd ruïnes werden.
Geldverspilling en sportverdwazing? Of saamhorigheid en trots? Het kabinet Rutte-III opteert voor het laatste en kondigde in het regeerakkoord aan de bijdrage voor topsport te zullen verdubbelen van tien naar twintig miljoen euro. Vorige week specificeerde minister Bruins hoe hij dat geld gaat verdelen. Op kritiek hoefde hij nauwelijks te rekenen. Nederland staat in de top tien van best presterende topsportlanden ter wereld en dat moet zo blijven. Verondersteld wordt dat uitmuntende prestaties van Nederland op topsportgebied en het organiseren van grootse sportevenementen een inspiratie zijn voor de bevolking, dat het een dikke plus is voor het ‘merk Holland’, dus een stimulans voor toerisme en bedrijfsleven.
De bewijzen daarvoor zijn mager. Er wordt weliswaar geregeld achteraf geëvalueerd. Zo zou de start van de Tour de France in Utrecht 22 miljoen euro hebben opgeleverd. Maar dat soort onderzoeken leveren weinig harde conclusies op, viel eind januari te lezen in een externe doorlichting van het sportbeleid van het kabinet. De meeste evaluaties ‘houden geen rekening met eventuele verdringingseffecten, die ervoor kunnen zorgen dat de economische impact onrealistisch hoog wordt ingeschat’. Ofwel: heel goed mogelijk dat die Tourstart de plaats innam van andere activiteiten en evenementen en dus geen extra maar vooral anderssoortige inkomsten opleverde. Nog moeilijker dan het economisch effect is het meten van maatschappelijke impact. Zijn we echt trotser? Gaan we geïnspireerd door topsporters zelf beter ons best doen, op sportgebied of anderszins? Niemand die het weet.
Natuurlijk heeft televisiekijkend Nederland zeer veel plezier beleefd aan de prestaties van vooral ‘onze eigen’ sporters in Zuid-Korea. Deze beleidsevaluatie is daarop een kleine maar gepaste relativering.
Nog een relativering is dat de 111 miljoen euro voor sport op de rijksbegroting maar een tiende is van wat gemeenten besteden aan breedtesport, en dat is op zijn beurt maar een kwart van wat Nederlanders zelf uitgeven aan hun sportclub. Nederland scoort daarmee op Europees niveau het best op gezond bewegen, en dat heeft pas echt impact. De vrolijkheid, de fitheid, de onderlinge verbondenheid en trots die dat genereert in al die sportzaaltjes en op al die sportvelden verdient de aandacht van de media evenzeer. RK

Reageer op dit artikel | Aantal reacties 0


Reacties:

hoofdartikel
Familieberichten
Advertenties