Lees hier ons Privacy Statement en Cookie Statement
vrijdag 22 juni

Achtergrondmaandag, 24 oktober 2011

Ds. Klaas Hendrikse moet terug naar school

Maandag verschijnt het nieuwste boek van ds. Klaas Hendrikse. Rekende hij eerst af met het bestaan van God, nu is Jezus aan de beurt. Prof. dr. Eep Talstra analyseert Hendrikse’s boek en denkwijze.

Eep Talstra
Als je in de nogal ironische stijl die ds. Klaas Hendrikse hanteert, zijn nieuwste boek zou samenvatten dan klonk het ongeveer zo: God bestaat niet, maar dat horen jullie al te weten. Christus bestaat ook niet, maar dankzij de mythe van de stervende en herlevende godheid die Paulus even bij de heidense buren leende om Jezus van Nazareth geloofwaardig te maken, hebben wij heidenen tenminste ook van Jezus gehoord, zij het vermomd als Christus. Van Jezus weten we verder ook niet veel, maar hij deed zijn best in het leven. Dus nu is het onze beurt. Zoiets.
Als iemand zo het leven met de Bijbel opvat, wat is daar eigenlijk tegen? Eerst nog eens serieus bijbelwetenschap gaan doen, zou ik zeggen. Maar goed, gedreven mensen hebben haast. Alleen, dat argwanende gemopper op de kerk van hem, wat moet ik daar mee? Als ik de opwekking van Jezus uit de doden heb leren zien als begin van mijn geloofsvertrouwen, ben ik dan een beetje dom? Iemand die zich in de luren laat leggen door eeuwen van kerkelijke geloofstraditie? Die liever gelooft op gezag van anderen dan zelf na te denken?

Olifant

Het boek God bestaat niet en Jezus is zijn zoon leest prettig, maar is wel erg ironisch van stijl, nadrukkelijk postmodern: er moeten belangen onthuld worden, vooral kerkelijke belangen. Alleen, het ligt er wel erg dik bovenop. Eén keer lezen dat de evangelisten ‘er een potje van maakten’, is wel aardig, maar na drie keer is het onthullende effect niet meer zo erg groot. Wel een beetje een olifant in de kerkelijke porseleinkast dus. Maar zo te zien staan er aan gegevens over antieke godsdiensten allerlei dingen in die ik, net als mijn collega’s Nieuwe Testament, al jaren aan de eerstejaars en tweedejaars heb verteld. De vraag is dus: waarom zijn in onze gesprekken over de Bijbel die antieke godsdiensten zo snel weer vergeten? Waarom spreekt men er in de theologie zo weinig over, en dan alleen als iets bedreigends of iets wat ontmantelt? En niet als gegevens? Ligt het probleem alleen bij de olifant? Of mankeert er ook iets aan de porseleinkast?
Het lezen van Hendrikses boek leverde mij dus twee vragen op. Eerst de vraag: hoe moet je erover discussiëren als je merkt dat tegenwerpingen je meteen tot een traditionele gelovige maken die nog niet doorheeft dat we in de moderne tijd leven? Volgens de inleiding is het boek immers niet voor mij bestemd: ik ben niet zo zeker van mijn eigen twijfel als dat tegenwoordig hoort en ook mijn gevoel voor humor is niet van het juiste type, begrijp ik. Hendrikse kent zichzelf een intellectuele voorsprong toe, waardoor elke bestrijding (98 mensen die ‘nog geloven dat ..’) eigenlijk alleen maar een bevestiging kan zijn van die voorsprong. De discussie moet duidelijk ergens anders beginnen dan alleen bij de constatering dat Hendrikse het traditionele, respectievelijk het bijbelse godsbeeld verwerpt. Dat vindt hij zelf ook al, dus dat schiet niet zo op.
De andere vraag is: waarom komt Hendrikse zo heel anders uit? Veertig jaar in dit vak, werkend met dezelfde en nog veel andere gegevens, heeft mij steeds confessioneler gemaakt - dat vindt de een nogal naïef, een ander vindt het een geruststelling. Hendrikse op zijn beurt wordt er een soort van atheïst van - de een vindt dat een bedreiging en een ander vindt het een bevrijding. Waarom is dat eigenlijk zo gegaan? En vanwaar die reacties? Het lijkt me dat we aan die kant moeten beginnen: de status van de porseleinkast.
Hendrikse zet zijn interesse in de geschiedenis van de godsdiensten tegenover de wijze waarop de Bijbel het verhaal vertelt vanaf de schepping tot en met Jezus en Paulus. Dat is in de bijbelwetenschap heel gebruikelijk, omdat we goede redenen hebben om aan te nemen dat de meeste Bijbelboeken in een situatie zijn geschreven lang, of heel lang na de gebeurtenissen waar ze over schrijven. De moeilijkheid is dat Hendrikse dat helemaal niet uitlegt en dat de manier waarop hij over godsdiensten en over de Bijbel spreekt wel erg snel gaat en nogal oppervlakkig is. Over de oude godsdiensten in Kanaän, de religie van het oude Israël en de ingewikkelde verhouding van El, Baäl en JHWH wordt heel globaal maar wel suggestief verteld: een wonderlijke godenfamilie. Daar zou hij nu toch echt eens op moeten gaan studeren.
Juist over de vraag hoe de tradities van het oude Israël zich verhouden tot die van de oud-oosterse godsdiensten wordt door Semitici - taalkundigen op het terrein van de Semitische talen, zoals Hebreeuws, Assyrisch en Aramees - veel gepubliceerd (Keel, Uehlinger, Loretz, Sommer). Het komt niet aan de orde. Ook profeten lijken bij Hendrikse werkeloos te zijn geweest. Echt onderzoek hoeft niet, want de postmoderne ideologie van het onthullen is kennelijk voldoende. Alle bijbelschrijvers doen volgens hem ongeveer hetzelfde: mythologie van Kanaän en Babel lenen en aanpassen om JHWH, de God van Israël, tot oppergod van de kosmos te verklaren; mythologie uit de Griekse wereld lenen om Jezus tot Christus te maken, een stervende en herlevende godheid die in het Romeinse rijk beter welkom zou kunnen zijn dan een mislukte rabbi.

Slordigheden en aannames

Het spreken over de Bijbel gaat net zo simplistisch als over de godsdiensten. Bij Hendrikse geen enkele aandacht voor de wijze waarop de Bijbel als reeks boeken is ontstaan: niets over processen van traditie, manuscripten, bewerkingen en herschrijvingen. Het gaat bij hem alleen om het ontrafelen van de belangen die hij zelf de auteurs toedicht bij het schrijven. Het boek komt zo gemakkelijk tot slordigheden en onbeargumenteerde aannames, bijvoorbeeld het ‘lijstje’ verplichte goddelijke eigenschappen dat Paulus wel ‘moest’ hebben. Zo kun je alles beweren. Voor wie aan religieuze samenzweringen gelooft is dat leuk. Je kunt er ook aardig je conservatieve wijkpredikant mee pesten. Maar aan het vak wordt geen recht gedaan.
Ook het hoofdstuk over Jezus gaat op dezelfde manier. De verwondering over het ontstaan van de christelijke kerk na de dood van Jezus heeft Hendrikse ook, maar het is bij hem verwondering over de geestkracht waarmee de leerlingen van Jezus zichzelf na de schok hernamen en ‘opstonden’, door zijn levenswijze voort te zetten als nieuwe gemeenschap. Maar dat duurde niet zo lang, want Paulus slaagde erin Jezus aan te passen aan de Hellenistische wereld en zo werd Jezus tot Christus. Geslaagde strategie. Totdat er een generatie kwam die ‘kennelijk het onderscheid tussen mythologie en geschiedenis niet meer kon of wilde begrijpen.’ Of dat zo is, ja of nee, daar heeft Hendrikse geen tijd voor.
We komen nu bij het doel. Voor moderne mensen moesten we nu dat misverstand maar weer opheffen en weer zien dat de Bijbel mythologie is. Dat is het enige goede antwoord op de secularisatie en tegenover nieuwere religies die de ‘herbetovering’ van de wereld nastreven. Terug naar het oerbesef van transcendentie waarmee de oude godsdiensten begonnen. Overigens, de titel klopt op deze manier niet echt. Eigenlijk zou die volgens de redenering van het boek moeten zijn: God bestaat niet en Christus is zijn zoon. Maar dat klinkt misschien nog te kerkelijk voor het beoogde publiek en dat kunnen we niet hebben.
Het punt is vooral de kritiek op de kerk als klassieke vormgeving van het christelijke geloof, waar gesproken wordt over God als persoon, Jezus als de Christus, Gods zoon, de Drie-eenheid, het leven na de dood. De kerk houdt de mensen als het ware vast in de middeleeuwen. Verstandige en onafhankelijke mensen ontvluchten dat kader. De kerk is koppig ouderwets en gaat zo lijken op een soort samenzwering van machthebbers die belang hebben bij de dingen houden zoals ze altijd waren.
De klassieke totaalvisie wordt door Hendrikse zo vervangen door een nieuwe totaalvisie: de ontwikkeling van de menselijke religie en de historische vormen ervan komen voort uit belangen van groepen en machthebbers. Wij moeten terug naar de oervorm van religie, de beleving van de transcendentie in het dagelijks bestaan.

Kerkelijke taal

De vraag is nu: hoe kan het dat bijbelwetenschappen, ook in deze populaire vorm kennelijk gemakkelijk in dienst kunnen worden genomen van deze visie? Hoe kan het dat bijbelwetenschap altijd zo veel moeite heeft om in de klassieke geloofswereld welkom te zijn? De ongemakkelijkheid die veel mensen voelen bij de klassieke geloofsleer en de kerkelijke taal maakt kennelijk dat bijbelwetenschap, zelfs in deze haastige variant een welkome bondgenoot is tegen het establishment. Tegelijkertijd wordt dat door orthodoxe groepen ook zo ervaren: historisch-kritische bijbelwetenschap is een risico voor Bijbel en geloof. Zo komen we kennelijk aan die kwetsbare porseleinkast. En daar zit het echte probleem.
Dus, ook al vind ik de wijze waarop Hendrikse zich bijbelwetenschappen en godsdienstgeschiedenis toe-eigent vooringenomen en simplistisch, hij heeft wel een punt. De klassieke theologie vanaf de kerkvaders was vooral geïnteresseerd in onze kennis omtrent God en de kosmos. God moest als het ware onaangetast blijven door de geschiedenis, alles wist Hij al, alles voorzag hij al, alles was al bepaald naar zijn wil, zijn kennis is onbegrensd, onze kennis is beperkt. Dat is vooral de erfenis van de kerkvaders, die - zeer terecht - in discussie waren met de filosofen van hun tijd. Maar dat theologische speelveld en de probleemstellingen ervan zijn deels verouderd: we zijn wetenschappelijk gezien gedwongen om opnieuw na te denken over de rolverdeling tussen God en mensen in de Bijbel, de geschiedenis, het geloof. Maar de theologie is huiverig. We spelen nog steeds de klassieke wedstrijd ‘kerkvaders tegen de Verlichting’, en doen alsof de bijbelwetenschap daarbij wel automatisch de ‘butler’ van de Verlichting zal zijn. Immers, theologie die zich vóór alles concentreert op de status van onze kennis omtrent God en zijn openbaring, houdt een probleem met de historische processen die de bijbeltekst hebben gevormd.
Dus als dan de tekstdata in al hun historische complexiteit pas in tweede instantie worden ingebracht in de discussies over de aard van onze theologische kennis, dan kunnen ze in de huidige theologie alleen maar functioneren als relativering van die theologische kennis. En dat doen ze dan ook, tot schrik van de een, tot vreugde van de ander. Dat is het speelveld van Hendrikse dat door hem wordt uitgebuit om de huidige kerken onder vuur te nemen, maar dat leidt nergens toe, want het speelveld is een systeemfout die aan de basis ligt van veel meer theologisch en kerkelijk debat over de Bijbel.
De discussie moet opnieuw beginnen vanuit de bijbelwetenschappen zelf. Moet God als het ware verdedigd worden tegen de historische processen van tekstwording en van debatten tussen de godsdiensten? Of is dat wel een prettige beschadiging van de openbaring, zodat we nu zelf maar weer iets moeten bedenken over mysterie en oertranscendentie? Is geschiedenis de vijand van de Almachtige? Of zou God er zelf goed mee kunnen leven, zijn woelige geschiedenis met mensen? Als dat zo is, mag je dan ook zeggen dat de complexe processen waardoor de Bijbel is ontstaan en de vele debatten met religiositeit uit allerlei tijden geen bedreiging zijn voor zijn spreken als God, maar dat dit zijn manier van spreken is? Zijn manier van present zijn tussen alle menselijke gedoe in? Eerst maar weer eens studeren.
* Klaas Hendrikse, God bestaat niet en Jezus is zijn zoon. Nieuw Amsterdam, 18 euro. Het boek is vanaf maandag verkrijgbaar
* Prof. dr. Eep Talstra is emeritus-hoogleraar Oude Testament aan de Vrije Universiteit in Amsterdam

Reageer op dit artikel | Aantal reacties 4


Reacties:

Heb geboeid de weloverwogen beschouwing van Talstra gelezen. Heel goed om dit geluid te horen en juist in al het menselijke gepuzzel en zoeken en tasten naar God/de Levende/de Stem de weg te zien die God met ons wil gaan.
Het zou Hendriks sieren als hij een volgende publicatie wijdt aan zijn critici en deze serieus tegemoet treedt. Zo heb ik het destijds ook aan de theologische faculteit van de VU geleerd(1974-1982)!

A. Broekhuis, Warnsveld - zaterdag, 28 december 2013



"Ook al ben ik het (helemaal?) niet met hem eens, "ik mag die Klaas wel"". Met zulke reacties is er hoop voor de kerk, sterker nog, dat is: Kerk.

Het nieuwe boek van Hendrikse heb ik nog niet gelezen en dus kan ik daar nog geen oordeel over hebben. Hetgeen Hendrikse schreef, is voor veel mensen wellicht nieuw en schokkend. Maar feitelijk is er weinig nieuws onder de zon. Zijn stellingen zijn in bedekte zin al te vinden bij de oude kerkvaders. En meer expliciet al 200 jaar gemeengoed in de mainstream van de kerk. Lees! In evangelische hoek lijken Hendrik's opvattingen misschien nieuw en extreem. Maar als je zowel het Evangelie als het wetenschappelijke bijbelonderzoek serieus neemt, is er veel te zeggen voor zijn standpunten. En hoe uitdagend is zijn mening over de aantrekkingskracht van het christendom voor hedendaagse niet-christenen? Hoe wervend is het evangelie in de vorm zoals dat door de officiële kerk wordt aangeboden aan niet-christenen? Welke kerk weet echte buitenstaanders te intrigeren voor het christelijke geloof? Het gaat in de praktijk toch vooral om landjepik tussen verschillende kerken en zichzelf christelijk noemende sektes?

Harry de Wit, Oost.Vlieland - maandag, 31 oktober 2011


Mooie en eerlijke reactie van Talstra. Maar hoe verder? Zie mijn eerdere reactie. Het verketteren van Hendrikse heeft geen zin, lijkt me. De geschiedenis van onze Nederlands Hervormde Kerk verplicht ons tot een ruim gesprek. Sterker: geeft ons de mogelijkheden en de verplichting voor een ruim, niet-veroordelend gesprek. Wie durft (de synode?)

hoe uitdagend is zijn mening over de aantrekkingskracht van het christendom voor hedendaagse niet-christenen?

Harry, Oost-Vlieland - maandag, 31 oktober 2011


Zo'n gedegen en eerlijke recensie over het nieuwe boek van ds. Klaas Hendrikse: betere aanbeveling om dat boek aan te schaffen bestaat niet!
Na het verschijnen van zijn eerste boek hoorde ik, Rotterdammer in hart en nieren, hem in een radiogesprek. Klaas Hendrikse leek mij een erudiet, aardig en open mens. Ik dacht toen nog: 'Als hij straks maar niet gaat verzuren en alleen nog maar gaat proberen zijn gelijk te halen. Dat hebben we eerder al met prof. Harry Kuitert meegemaakt.'
Het nieuwe boek van ds. Klaas Hendrikse heeft mijn vrees bewaarheid. Het zou mij niets verbazen als over een goed jaar weer een nieuw boek van Klaas Hendrikse verschijnt als een volgende variatie op het al eeuwenoude thema dat God niet bestaat.
Commercieel gezien niet slecht, en ds. Klaas Hendrikse blijft zo in de schijnwerpers, maar wat zou het voor hem en onze Protestantse Kerk mooi zijn, als hij door gedegen studie van en rond te Bijbel ruiterlijk mag toegeven: ik zat verkeerd met mijn visie op God, maar nu weet ik met Paulus dat Gods zoon Jezus echt onze Heer en Verlosser is.
Ik bid hem dat toe, want ik mag die Klaas wel.

Ir. A. J. Pontier, Nijkerk (Gld) - woensdag, 26 oktober 2011


achtergrond
Familieberichten
Advertenties