Lees hier ons Privacy Statement en Cookie Statement
maandag 18 juni

Regiovrijdag, 12 maart 2010

Kinderarts Robert Jan Bakker uit Goënga promoveert op aanhoudende moeheid bij kinderen
Niets doen en toch altijd moe, een serieuze klacht

Goënga - Kinderarts Robert Jan Bakker (66) uit Goënga was al tijdens zijn werk in het Antonius Ziekenhuis in Sneek geďnteresseerd in kinderen met aanhoudende onverklaarde ‘moeheidsklachten’. Hij promoveert volgende week op het onderwerp aan de Universiteit van Utrecht.

Door Erik Betten.
Bakker werkte 31 jaar als algemeen kinderarts in het Antonius Ziekenhuis, en kreeg in die tijd een reputatie op het terrein van onverklaarbare aandoeningen. ,,De meeste ziektes zijn duidelijk. Na de diagnose kun je gaan behandelen, een oplossing bieden. Dat is bij onverklaarbare aandoeningen als hoofdpijn of buikpijn niet zo.”
Niet elke arts kan met patiënten uit de voeten die klachten hebben die buiten de bekende ziektepatronen vallen. ,,Dokters vluchten dan nog wel eens in verder onderzoek. Met als gevolg dat de klachten ook verergeren. Want als er meer onderzoek nodig is, brengt dat ook weer een bepaalde dynamiek op gang.” Als een heldere diagnose uitblijft, kan dat ook tot irritaties leiden tussen arts en patiënt. Soms was doorverwijzen dan beter. ,,Die patiënten kreeg ik dan vaak.”
Binnen dat spectrum van onverklaarbare aandoeningen trok de aanhoudende moeheid bij jongeren van twaalf tot achttien jaar Bakkers aandacht. ,,Daar kreeg ik er per jaar vier of vijf van op het spreekuur”, schat hij. ,,Jongeren die aanhoudend zo moe waren dat hun ontwikkeling werd belemmerd.” Door omstandigheden kreeg Bakker acht jaar geleden de tijd zich intensiever met deze groep bezig te houden. Zijn proefschrift Prolonged Unexplained Fatigue in Paediatrics is daar het resultaat van. Overigens voorzien van zowel een Nederlandse als een Friese samenvatting.

Uitgaan

Bakker deed onderzoek onder een groot aantal middelbare scholieren. Zo’n 20 procent klaagde over vermoeidheid, maar bij het merendeel heeft dat geen gevolgen. Het gaat dan bijvoorbeeld over jongeren die in het weekeinde uitgaan en uitslapen en zo hun ritme danig verstoren. Overigens viel daarbij wel op dat drie kwart van de leerlingen met klachten meisje was.
Bij een klein deel van deze groep met moeheidsklachten is duidelijk meer aan de hand. ,,Dan gaat het om serieuze klachten. Ze komen bijvoorbeeld nauwelijks de trap op, hebben geen energie meer om naar school te gaan. Het voelt als een zware griep, maar dan voortdurend.” Bakker benadrukt dat het om echte klachten gaat. ,,Ze verzinnen dit niet, maar ze zijn vaak wel bang dat de omgeving dat denkt.”

Kunstzinniger types

Bakker heeft onderzocht of de kinderen die met deze aanhoudende moeheidsklachten kampt, bepaalde eigenschappen gemeen hebben. Dat blijkt het geval te zijn. ,,Het zijn kinderen die voordat de klachten beginnen, vaak al minder doen dan hun leeftijdsgenoten. Ze zitten minder vaak op een sportvereniging, kunnen goed alleen zijn. Het zijn vaak wat kunstzinniger types, kijken meer tv.”
De aanhoudende moeheid dient zich vaak aan als gevolg van virusinfectie. ,,Waar anderen na een
paar dagen ervan af zijn, blijven deze kinderen daarin hangen. Het werkt als een soort trigger.” Een ander verband is dat in het jaar ervoor een ingrijpende ervaring is beleefd. ,,Wat wel een life event wordt genoemd: scheiding van de ouders, een sterfgeval in de familie, of een goede vriend die verhuist.”
Bakker wijst erop dat het gaat om gemiddelden, maar in de regel zijn het geen moeilijke pubers. ,,Iedereen vindt ze aardig, zij kunnen zelf ook met iedereen overweg. Tegelijk zoeken ze sociale gelegenheden niet op. Ze hebben wel vrienden, maar doen daar buiten schooltijd niet echt iets mee.”
Hij richtte zijn onderzoek verder op kenmerken die van belang zijn voor de prognose van de klachten. ,,Een van de conclusies uit dit onderzoek is dat de helft van de kinderen na drie tot twaalf maanden over de klachten heen is, maar dat bij de andere helft de moeheid blijft. Die groep komt daar niet meer vanaf. We dachten altijd dat die groep veel kleiner zou zijn. Nu die zo groot blijkt, is het van belang snel vast te stellen tot welke helft de patiënt behoort.”
Een kenmerk is duidelijk. ,,Meisjes. Die hebben duidelijk een veel grotere kans dat de moeheid blijft dan jongens.” Een andere factor die meespeelt, is het deelnemen aan sporten. ,,En dan in georganiseerd verband. Als een kind dat al doet, worden de vooruitzichten al gunstiger. De beschermende werking van met elkaar sporten speelt een rol.” Een derde belangrijke onderscheidende factor is de nachtrust. ,,Als kinderen bij het eerste gesprek met een arts al aangeven dat ze slaapproblemen hebben, dan is de prognose ook slecht.”
Bakker wijst erop dat het bij slapen niet om het aantal uren gaat. ,,Deze kinderen slapen veel, vaak te lang. Maar ze hebben een slechte slaapkwaliteit. Pubers zitten in de overgang van kinderslaap naar volwassenenslaap. Kinderen kunnen zich niet wakker houden als ze moe zijn, pubers kunnen dat wel. Als je je ritme geweld aandoet, leidt dat tot een slechtere slaapkwaliteit.”
Het dag-en-nachtritme en in het verlengde daarvan het slaap-waakritme zit ingebakken in het menselijke systeem. ,,Het hele evenwicht kan door verkeerd slaapgedrag worden verstoord. Ik gebruik vaak de vergelijking van het orkest. Normaal gesproken functioneert je autonome zenuwstelsel als een goed orkest, waarbij de dirigent eigenlijk weinig hoeft te doen omdat iedereen zijn partij speelt. Wanneer iets ingrijpends gebeurt - een kroonluchter die in het publiek valt - dan is de harmonie weg. Iedere sectie gaat hard zijn best doen, maar pas als de dirigent aftikt en opnieuw begint, kan de harmonie terugkeren. Het probleem bij deze kinderen is dat ’t die dirigent niet lukt.”

Snelle diagnose

Bakker pleit in zijn proefschrift voor het stellen van een snelle diagnose. ,,En zet er dan een streep onder. Laat je niet verleiden tot allerlei onderzoeken omdat de patiënt - of de ouders - denken dat er meer aan de hand is. Dat heeft een averechts effect.” Als het waarschijnlijk is dat de jongere blijvend met de moeheid zit, is er overigens maar weinig aan te doen.
,,Het eerste is goed uitleggen wat er aan de hand is. Pillen zijn er niet, maar wel is er met begeleiding wat te bereiken. Heel belangrijk is dat de kinderen naar school blijven gaan, ook als ze zich heel slecht voelen. En dat ze ook aan alle leuke dingen meedoen, zoals een schoolavond.”

Psycholoog

Verder is de hulp van een psycholoog belangrijk. ,,Daar zijn mensen vaak wat huiverig voor, maar de realiteit is dat psyche en lichaam niet gescheiden zijn.” De psycholoog kan cognitieve therapie geven die het kind leert om met de signalen van het lichaam te begrijpen. ,,Normaal gesproken is vermoeidheid een signaal van het lichaam om het rustiger aan te doen. Het probleem bij deze kinderen is dat ze te goed naar dat signaal luisteren.” Ze registreren al vermoeidheid terwijl het lichaam in werkelijkheid nog nauwelijks in beweging is gekomen.
Daarom spreekt Bakker in hun geval ook van moeheid. ,,Vermoeidheid is het gevolg van inspanning, moeheid zegt iets over de toekomst: ‘te moe zijn om’. ,,Therapie leert je om die signalen op de juiste wijze te waarderen. Met een trainingsprogramma kunnen ze stap voor stap wat verder gaan, en hun grenzen zo verleggen.”

Reageer op dit artikel | Aantal reacties 0


Reacties:

regio
Familieberichten
Advertenties