De website frieschdagblad.nl maakt gebruik van cookies.
donderdag 22 juni

Hoofdartikelzaterdag, 7 juli 2007

Vaderlandse geschiedenis...
Minister Plasterk schrijft historie: hij heeft vastgelegd wat iedere jonge Nederlander over de geschiedenis van zijn land moet weten. Er was al een geschiedenisprogramma voor bijvoorbeeld de basisschool, vastgelegd in de zogeheten kerndoelen. Dat is leerstof die kinderen minimaal moeten weten als ze de basisschool verlaten. Maar naar huidige inzichten is dat veel te weinig. De minister wil daarom méér vastleggen aan eisen, via de zogeheten canon van de vaderlandse geschiedenis.
De beslissing van Plasterk komt voort uit het besef dat het om allerlei redenen belangrijk is dat Nederlanders meer weten van de geschiedenis van hun land. Wie de geschiedenis van zijn land niet kent, gaat in zekere zin oppervlakkig om met het land. Wie bijvoorbeeld geen besef heeft van de wording van de democratie in Nederland, is minder toegerust om die democratie te onderhouden of te verbeteren. De moderne mens is een historisch wezen; zijn zelfverstaan en identiteit worden mede bepaald door de geschiedenis. Wie die geschiedenis niet kent, heeft het moeilijker om de eigen identiteit te beleven.
De winst van de maatregel van Plasterk is de erkenning van het belang van geschiedenis als schoolvak. Het gaat niet alleen om feitjes en weetjes, maar ook om het ‘historisch besef’, om de ervaring van de werkelijkheid als een historische werkelijkheid: ik sta in een traditie, ben mede gevormd door wat vorige generaties hebben meegemaakt, hebben gedaan en doorgegeven. Die ervaring wordt rijker als ik beschik over meer feitenkennis. Hoe meer ik weet, hoe beter ik verbanden kan zien en leggen, en hoe meer ‘instrumenten’ (bijvoorbeeld: woorden) ik heb om het ‘beter’ over de werkelijkheid te hebben en met die werkelijkheid kan omgaan.
...en godsdienstonderwijs
Er is een interessante parallel te trekken tussen het vak geschiedenis en godsdienstonderwijs. In dat laatste is net als bij geschiedenis, de afgelopen decennia de aandacht voor feiten en wetenswaardigheden verslapt. Net als bij geschiedenis gaat het bij godsdienstonderwijs niet om de feiten als zodanig, maar om kennis die de samenhang in het kennisgebied duidelijker maken. En die daardoor verdieping van inzicht mogelijk maakt. Daarbij geldt, net als bij geschiedenis, hoe meer we weten van wat er feitelijk in de Bijbel staat, hoe beter we zijn toegerust om door te dringen tot de kern van wat de Bijbel ons te zeggen heeft aangaande God, mens en wereld.
Het negeren van het belang van de feitelijkheden in de vaderlandse geschiedenis zou wel eens een factor kunnen zijn in de verzwakking van de beleving van het Nederlanderschap. Wie niet weet hoe ons land geworden is tot wat het is, wat de diepte- en de hoogtepunten zijn in moreel, in economisch of in cultureel opzicht, heeft nauwelijks reden om zich trots te voelen, of beschaamd; of om zich voor het land in te zetten. Nationale identiteit is geen vies woord; ze schept een kader waarbinnen mensen zich thuis kunnen voelen en biedt mensen een concrete mogelijkheid hun sociale en politieke verantwoordelijkheid te beleven. Bovendien biedt een nationale identiteit een kader voor het omgaan met effecten van globalisering en van de komst van mensen vanuit een andere cultuur. Het kader van nationale identiteit is daarbij geen afgrenzing, maar juist een mogelijkheid om op verstandige wijze met veranderingen door invloeden van buiten om te gaan.
Dergelijke redeneringen kunnen ook worden opgebouwd ten aanzien van feitenkennis in het godsdienstonderwijs. Hoe meer we weten, hoe beter we in staat zijn ons te ontwikkelen in het religieuze en in het gelovige. Feitenkennis van bijvoorbeeld de Bijbel en van de kerkgeschiedenis stelt ons in staat onze eigen religieuze en gelovige identiteit te versterken.
Eerherstel voor de feiten. Dat is de les die kan worden getrokken uit de constatering dat het treurig is gesteld met kennis van, en inzicht in vaderlandse geschiedenis. Hetzelfde kan gelden voor het godsdienstonderwijs. Een van de omstandigheden waarin de aandacht voor de feiten is verslapt, is de gedachte dat het op school en in de kerk vooral leuk moet zijn. In feite leidt die gedachte ertoe dat (jonge) mensen wordt onthouden dat ze zich kunnen ontwikkelen tot mensen die écht iets weten, die inzicht hebben in zichzelf en in de wereld en die in staat zijn om, ook in religieuze zin, volwassen, verantwoordelijke mensen te worden.

Vertel een vriend | Reageer op dit artikel | Aantal reacties 0


Reacties:

hoofdartikel
Familieberichten
Advertenties