De website frieschdagblad.nl maakt gebruik van cookies.
maandag 20 oktober

Geloof & Kerkdonderdag, 12 augustus 2004

Alle Hoekema over ‘De God van kleine dingen’
Een klassiek drama dat roept om een schuldige
Wat is uw mooiste boek of welk boek heeft u op een bijzondere wijze geraakt? In het Friesch Dagblad een serie waarin betrokkenen uit christelijk Nederland vertellen over hun mooiste boek. Deel 5.

,,Het mooiste boek bestaat niet. Tussen Dik Trom en het finale boek, dat ik ooit hoop te lezen, zitten immers nog zoveel andere boeken die ik met hartstocht lees’’, zegt Alle Hoekema. Zijn keus viel echter op De God van kleine dingen van Arundhati Roy.

ALLE HOEKEMA
Heilige boeken (de bijbel, de koran) kunnen bovendien per definitie niet meedoen aan dit concours. Afhankelijk van mijn stemming, positie en leeftijd kan het mooiste boek nu eens dit, dan weer dat werk zijn. Soms scoort C.W. Mönnichs magistrale boek Het geding der vrijheid (1967) absoluut het hoogst. Maar ik vergelijk appels met peren als ik dat werk leg naast Het begrip angst van Kierkegaard of Moltmanns Theologie van de hoop.
Mijn keuze is dan ook totaal anders. Geen theologie, maar een bepaald genre romans: dat van moderne Indiase auteurs. Hun boeken geven inzicht in de wereld waarin ook de Aziatische christenen leven, wier leven en denken mij al decennia lang fascineert.
Wat de verhalen van R.K. Narayan (als voorloper van dit genre) over het fictieve stadje Malgudi, Salman Rushdie’s De laatste zucht van de Moor , Vikram Seth’s A Suitable Boy , Amitav Ghosh’ Het glazen paleis , Gita Mehta’s Raj en andere romans van Indiase auteurs gemeen hebben, is hun ongemeen beeldrijke taal, een onderkoelde, relativerende vertelstijl en een grote epische zeggingskracht, soms gepaard gaand met een magisch realisme.
Daarnaast wordt in deze werken een, weliswaar geromantiseerd, historisch decor opgebouwd van het gekoloniseerde Azië, van de Tweede Wereldoorlog en van de problemen van een jonge, onafhankelijke natie. En dat alles vanuit Aziatisch perspectief.

Booker-Prize

Bovenaan dat lijstje staat voor mij Arundhati Roy’s De God van kleine dingen . Een debuut, dat in 1997 meteen de Booker-Prize won, inmiddels in veertig talen is vertaald en in eigen land en in het westen veel ophef veroorzaakte; ja, in India zelfs tot een rechtsgeding leidde vanwege de seksueel gekleurde slotpagina’s.
Suzanna Arundhati Roy werd in 1961 in Aymanam in de zuidelijke deelstaat Kerala geboren uit een christen-moeder, bekend strijdster tegen sociaal onrecht, en een hindoe theeplanter uit Bengalen. Haar roman, een mengeling van eigen jeugdervaringen en knappe fictie, speelt zich in haar geboortestadje af. Pieter Steinz typeert het als een ,,poëtische familieroman over kleinsteeds India’’ (in Lezen &cetera , 307). Maar het is meer dan dat.
In deze roman gaat het om een schokkend drama binnen een welvarende familie, behorend tot de Mar Thoma kerk. In Kerala, waar bijna 20 procent van de bevolking christen is, speelden en spelen religieuze verschillen nauwelijks een rol. In de jaren zeventig, waarin het boek zich afspeelt, waren de communisten de sterkste partij. Zowel die communisten als dat christelijke milieu worden kritisch en soms uiterst humoristisch neergezet maar blijven verder op de achtergrond.
De plot wordt verteld vanuit het perspectief van het kind Rahel, tweelingzusje van het jongetje Estha; soms als flashback, meer dan twintig jaar later. Verdere hoofdrollen zijn er voor hun moeder Ammu (gescheiden van, inderdaad, een Bengaalse theeplanter), hun oom Chacko, een nietsnut annex rokkenjager die het familiebedrijf hoogst onzakelijk runt (‘Paradise Zuur & Zoetwaren’), diens Engelse ex-vrouw Margaret en hun dochtertje Sophie Mol die vanuit Engeland op bezoek komen, en tenslotte een jonge timmerman, Velutha, die hoort tot de onaanraakbaren, de dalits.
Andere personages in de familie dragen bij aan de sfeer van jaloezie en achterdocht die deze familie beheerst; al houdt men de sociale vormen in acht. Het dagelijkse leven in en rond hun grote huis wordt afgeschilderd als één groot toneelspel. Wie daaruit wil ontsnappen, gaat ten onder.

Kern

Al in het eerste hoofdstuk wordt de tragedie onthuld die de kern vormt van het verhaal: Sophie Mol, nog maar net twee weken op bezoek, verdrinkt als ze met haar nichtje en neefje in een gammel bootje een riskante nachtelijke tocht maakt op de rivier. De gebeurtenissen in de korte tijd, die leidt tot deze tragedie, vormen het verhaal. Maar het boek heeft een architectonische opbouw, aldus de schrijfster zelf in een interview en ,,de structuur lokt het verhaal in een hinderlaag’’. De roman eindigt midden in het verhaal. Daar wordt een tweede verhaallijn zichtbaar: Ammu heeft een volstrekt ontoelaatbare, kortstondige geheime relatie met Velutha. Pas in de voorlaatste hoofdstukken worden, in flarden, de verwevenheid en details van beide lijnen voor de lezer duidelijk. Het is een klassiek drama, dat roept om een schuldige.
Zonder mededogen wordt door familieleden, communistische partijgenoten en politie de onaanraakbare aangewezen. Hij draagt de schuld van de verdrinking én van de schaamteloze seksuele verhouding. De politieagenten maken hun karwei koel af. Het jongetje Estha moet daarna Velutha’s zwaar geschonden lichaam identificeren. Alleen verliezers blijven over.
Velutha, in de roman in alle opzichten een nobele persoonlijkheid, is dood. Het zal geen toeval zijn, dat hij een timmerman heet. Zelfs lijkt hij een incarnatie van de God van Verlies, van de kleine dingen. Ammu wordt vanwege de schande weggestuurd, sterft verpauperd aan tbc en krijgt geen kerkelijke begrafenis. Estha wordt voor straf ‘Heengezonden’ naar zijn vader, duizenden kilometers verder weg en eindigt autistisch en zwijgend-sprakeloos. Rahel wordt van elke nieuwe school afgetrapt en blijft met onbeschrijfelijk lege vragen zitten. De zoetzuurfabriek gaat failliet.
Maar het boek eindigt met een gepassioneerde, poëtische beschrijving van de nachtelijke liefdesrelatie van Ammu en Velutha - waarover we midden in de roman al vernamen. En het allerlaatste woord van het boek is ‘morgen’. ‘Morgen’: de dag van de verschrikkelijke tragedie, maar ook ‘morgen’ als perspectief van liefde en hoop voor twee mensen, die weten, dat alleen dit kleine, korte moment hen doet ontsnappen uit het Toneelstuk, dat in dat huis en de kleinsteedse samenleving daaromheen wordt opgevoerd.
Daar is meteen de sleutel voor de titel van het boek te vinden. God is onmachtig om dit grote drama naar zijn hand te zetten. Hij is er alleen als omgekeerde god, de ,,God van het Verlies. God van de kleine dingen’’.

Geheimtaal

Hij is God vanuit het perspectief van insecten, van kinderen en van nutteloze gebeurtenissen en ervaringen. De kleine, fragiele dingen, die de echte geschiedenis vormen, zoals de omgekeerde geheimtaal van Rahel en Estha. Of het feit, dat zij, áánraakbaren, nota bene in het hutje van de onaanraakbare Velutha spelen. Of zoals Ammu tekeergaat tegen de bekrompen, geordende wereld om haar heen, weet dat ze een fatale relatie heeft en toch, die paar momenten vormen de prijs van het leven. ,,Die kleine gebeurtenissen en doodgewone dingen worden verpletterd en opnieuw in elkaar gepast, bekleed met een nieuwe betekenis om het gebleekte gebeente te worden van het verhaal’’, aldus Arundhati Roy zelf.
,,De Grote Dingen bleven onuitgesproken binnen verscholen’’ - zo ervaart Rahel alles (pagina 172). Zelf is ze niet meer dan een decor, een bloem of boom in het idiote Toneelstuk van de conventie.
Vandaag is dit mijn mooiste boek, allereerst vanwege de intrigerende titel met zijn onderhuidse theologische geheim. En dan, vanwege de prachtige architectonische structuur (Roy studeerde architectuur). Voorts vanwege de fascinerende taal. Zinnen als ,,over het sappige, dichtgegroeide oppervlak [van de dichtgeslibte rivier] waaiden als subtropische vliegende bloemen felgekleurde plastic zakken’’ (pagina 125); en ,,wat viel er te zeggen? Alleen dat er tranen waren. Alleen dat zwijgen en leegte als lepeltjes in elkaar pasten’’ (over het lot van Estha en van Rahel).
Het is vooral mijn mooiste boek als spiegel van een traditioneel christelijk milieu, waarin zelfs de kokkin wil bewijzen dat ze een christin is, ,,een Aanraakbare christen van een hoge kaste (waarin het Christendom was binnengesijpeld als een theezakje)’’ (pag 170).
Binnen de Indiase kerken, niet alleen in de jaren zeventig van de vorige eeuw, maar ook nu, is het probleem van de Onaanraakbaren, de dalits, levensgroot. Dalit christenen zijn in dubbele zin slachtoffer. Als christen komen ze niet in aanmerking voor bepaalde regelingen, die voor hindoe onaanraakbaren gelden. En door vele andere christenen worden ze nog steeds met de nek aangekeken. Geen wonder, dat sommige groepen dalits moslim worden, of boeddhist. Daar is meer gelijkheid. En evenmin is het een wonder, dat sinds een jaar of twintig een militante christelijke dalit bevrijdingstheologie is ontstaan. Arvind P. Nirmal, James Massey en M.E. Prabhakar waren of zijn daarvan welsprekende voormannen.
Zo helpt dit epos mij als theoloog om de bijzondere context te doorgronden, waarbinnen het christendom in India functioneert en opent het mijn ogen voor de God van de kleine mensen en kleine dingen.
N.av.: Arundhati Roy, The God of Small Things , 1997. Vertaald als De God van kleine dingen , Prometheus, juni 2004. ISBN 90 461 40 539. 340 blz, Prijs: 9 euro (pocketeditie) Op internet zijn verschillende levensbeschrijvingen van en interviews met de schrijfster te vinden.
Alle Hoekema is doopsgezind predikant en hoofddocent missiologie aan de VU te Amsterdam

Vertel een vriend | Reageer op dit artikel | Aantal reacties 0


Reacties:

Geloof & Kerk
Familieberichten
Advertenties