De website frieschdagblad.nl maakt gebruik van cookies.
maandag 21 mei

Regiodonderdag, 25 maart 2004

Vertellen over Heit in de taal van mem

Deze week is het 100 jaar geleden dat Ulbe van Houten in Boksum werd geboren. Een van de meest gelezen Friese boeken tot op de dag van vandaag, De sűnde van Haitze Holwerda, is van zijn hand. Naast verhalen en novellen schreef de onderwijzer z’n levenswerk De Hillige Histoarje; een tweedelige bundel met bijbelse navertellingen in het Fries, dat nog steeds in menig gezin wordt gelezen.

HINK VAN HOUTEN
Fries bijbellezen was in het begin van deze eeuw nog niet eens zo gemakkelijk. Pas in 1933 verscheen het Nieuwe Testament in het Fries en tijdens de Duitse bezetting in 1943 het Oude Testament. In huize Van Houten werd er thuis altijd Fries gesproken, het bijbellezen en het bidden ging vanzelfsprekend in het Hollands.
Ulbe was de jongste telg uit een gezin met vier kinderen. Z’n vader Sjouke van Houten was boerenknecht en verdiende er iets bij als koster van de Gereformeerde Kerk. Moeder Grietje had haar werkzaamheden thuis. Ulbe groeide op in een situatie waarin het Fries en het Nederlands hun eigen vaste plaats hadden. Thuis en op straat werd Fries gesproken. ’s Zondags werd er echter vanaf de kansel Hollands gelezen en gepredikt, hoewel er in de kerkbanken in het Fries werd gedacht. Deze wat vreemde vorm van tweetaligheid was al meer dan 100 jaar geaccepteerd door het Friese kerkvolk.
Ulbe is elf jaar als er op een avond aan de deur van de Van Houtens wordt geklopt. Twee mannen komen met een wonderlijk verzoek. Ze zijn er op uitgestuurd om alle gereformeerden op te trommelen voor het jaarfeest van de Jongelings Vereniging. In verband met griep en een sterfgeval kunnen veel mensen namelijk niet komen. Maar alles is al ingekocht voor deze feestavond: chocolademelk, jodenkoeken en broodjes. Als er geen mensen komen blijven ze er mee zitten. Ulbe mag ook mee, hij lust toch ook wel chocolademelk? Zo zit Ulbe op die avond op een mooie plaats tegenover de bestuurstafel.
De eerste drie inleidingen zijn ronduit slecht, maar de chocolademelk smaakt goed. De vierde inleiding van ‘grutte Tsjeard’ over ‘Het Fries op de Jongelings Vereniging’ maakt indruk op de jongeman. Tsjeard heeft het Fries hoog in het vaandel staan, maar keurt het gebruik ervan op de Jongelings Vereniging toch af. De elfjarige Ulbe is het hier mee eens. Tsjeard kan het prachtig vertellen: ,,Al loopt er ons een koude rilling langs de rug, als men kwaad spreekt van onze geliefde moedertaal…’’ Er is niemand in de zaal die hier iets tegen in kan brengen. In de kerk en op de Jongelings Vereniging hoort het Hollands, dat is duidelijk.
Een jaar later onderstreept Hendrik, de oudere broer van Ulbe, deze woorden nog eens. In een openbaar debat met ds J. Huismans (oprichter van het Kristlik Frysk Selskip) zegt Hendrik dat de Jongelings Vereniging niet mag worden verlaagd tot een oefenschool voor het Fries. Later zou broer Hendrik in zijn werk voor de Friese beweging en als lid van de Tweede Kamer voor de Christelijke Democratische Unie zich ontpoppen tot een groot voorstander van het Fries.
Dankzij de Jongelings Vereniging komt Ulbe voor het eerst in aanraking met geschreven Friese teksten. Onder in de boekenkast van de Jongelings Vereniging ‘Daniël’ te Boksum ligt een aantal jaargangen van Yn ús eigen tael , die hij meeneemt om te lezen.
Ulbe leert gemakkelijk en omdat hij niet bijzonder sterk is, wordt hij schoolmeester. Over deze tijd op de kweekschool schrijft hoofdredacteur Hendrik Algra in het Friesch Dagblad van 23 maart 1974: ,,Ik zie hem nog voor mij in de winter van 1921, zoals hij daar zat op de voorste bank in het lokaal van de Christelijke Kweekschool. Hij had een opstel gemaakt over een wintermorgen met sneeuw en hij schreef 3 kantjes vol; een verslag van wat hij zag, voelde en dacht op zijn pad van Boksum naar de halte van het spoor, een kwartier lopen langs de smalle puinweg. ‘It wie hiel apart, it wie in juwiel’.” Als achttienjarige onderwijzer trekt Ulbe naar Sint Annaparochie in het Bildt.
Een paar jaar later, in 1924, gaat Ulbe met broer Hendrik naar een bijeenkomst van het Kristlik Frysk Selskip. Onderwijzer, journalist, politicus en dichter Fedde Schurer houdt daar een indrukwekkend betoog voor het Fries. Vanaf dat moment gaan Ulbe de ogen open. Waarom zou hij, die vanaf z’n geboorte Fries denkt en spreekt tegen z’n ouders en vrienden, niet in z’n ‘memmetaal’ spreken tegen z’n Vader? Niet iedereen begrijpt dat Ulbe veel taalbewuster wordt. Als hij als soldaat in 1926 vanuit z’n legerplaats in Assen een Friese brief schrijft naar z’n vriendin in Lieve Vrouwenparochie, beklaagt zij zich daarover. Hij reageert met de woorden: ,,Dats myn skriuwen twa kear lęze moatst is toch gjin beswier. In dűmny lęst de Bibel ek mear as ien kear.”

De sűnde fan Haitze

Via de Friese beweging komt de twintigjarige Ulbe in levendig contact met onder andere Fedde Schurer en Eeltsje Boates Folkertsma, die samen de redactie vormen van het literaire maandblad Yn ús eigen tael . Hierin verschijnt in korte afleveringen De sűnde fan Haitze Holwerda .
Het verhaal speelt in een tijd waarin arbeiders zich verenigen tot lotsverbetering (rond 1898). De gereformeerde boer Holwerda bespeurt in het optreden van de arbeiders de deining van de tijd. Hij huurt hen voor vijf weken, maar deze maaiers uit het Bildt zien kans mede door het mooie weer en hun werklust de oogst in vier weken binnen te halen. Boer Holwerda kan maar moeilijk loskomen van oude gewoonten en zijn behoudzucht en wil maar voor vier weken betalen. Ook zit hij vast aan de zonde van het schermen met het Woord. Hij bezweert de vrijpostigheid en praatgraagheid van deze maaiers met het woord uit Jacobus over de tong. Maar op hun beurt betrappen de arbeiders de boer op het overslaan van een voor hem en zijn situatie pijnlijke passage. Ze wijzen Holwerda op Jacobus 5 ‘Zie het loon der werklieden, die uw landen gemaaid hebben, hetwelk van u verkort is, roept en het geschrei dergenen die geoogst hebben is gekomen tot in de oren des Heeren Zebaôth…‘.
De arbeiders zoeken steun bij de deurwaarder. Holwerda z’n vrouw moet hem erop wijzen dat er verschil is tussen gezag en onrecht. Holwerda legt zijn grootheid af en ontdekt zijn zonde.
De sűnde fan Haitze Holwerda werd door dr. Y. Poortinga bewerkt voor toneel en werd in Nederlandse vertaling uitgegeven bij Kok in Kampen (1950). Bij de Afűk verscheen in de jaren ’90 van de Friese roman de 10de druk.
In 1945 komt het boek Ein fan ’e mars uit, een kroniek van de eerste oorlogsdagen. Op last van de Duitsers mocht dit boek niet in de oorlog verschijnen. De Friese schrijver/dichter Anne Wadman zei over de roman: ‘Het is een reportage, maar van een zodanige beklemmende suggestiviteit als er wellicht weinige geschreven zijn over die vijf wonderlijke dagen uit de Nederlandse geschiedenis.’ Ein fan ’e mars gaat over de doelloosheid van de tocht van een groep soldaten waar de schrijver zelf deel van uitmaakt. De tocht eindigt een aantal kilometers voor Rotterdam in het niets.

De Hillige Histoarje

Na de oorlog begint Van Houten aan zijn levenswerk: de bijbelse geschiedenis verteld aan het Friese volk. ,,Ik hie tige bilangstelling foar bibelske histoarje en âldheitkunde. De eftergrűn fan dy easterske wrâld loek my” verklaarde hij eens. Aan het schrijven van De Hillige Histoarje is veel studie en bronnenonderzoek voorafgegaan. Mede vanwege de goede compositie van deze verhalen, de gave taalbeheersing en treffende karakterisering kreeg de schrijver voor dit monumentale werk in 1955 de Gysbert Japicxprijs, de belangrijkste literaire onderscheiding in Fryslân.
In protestantse kringen worden de boeken goed ontvangen. Zelfs van rooms-katholieke zijde wordt aangeraden deze boeken te lezen en te bestuderen.
In opdracht van dr B.J. Alfrink toetst prof. dr Haarsma het eerste deel zorgvuldig; in die tijd een bijzonderheid waar zelfs de Engelse pers over schrijft: ‘R.C. Archbishop recommends protestants Bible’.
De Leeuwarder Courant beveelt heiten en memmen met klem aan deze boeken aan te schaffen, desnoods ten koste van nieuwe gordijnen, lopers of een stoel. In 1973 zegt de schrijver er het volgende over: ‘Als ik het nog een keer moest doen, zou ik het waarschijnlijk op een andere manier vertellen. Maar in die tijd was dit de beste vorm en ik geloof dat de mensen er iets aan hebben gehad.‘
Vanaf 1968 tot zijn dood werkt Ulbe van Houten als frisicus mee aan de totstandkoming van de nieuwe Friese Bijbelvertaling. Op 22 maart 1974, een dag voor zijn zeventigste verjaardag, sterft hij.

Vertel een vriend | Reageer op dit artikel | Aantal reacties 0


Reacties:

regio
Familieberichten
Advertenties