De website frieschdagblad.nl maakt gebruik van cookies.
woensdag 22 november

Geloof & Kerkwoensdag, 25 februari 2004

‘Geheel ondeugend orgel van Beunhaasen’ gerestaureerd
BERBER BIJMA
Stavoren – Veel dingen rond het orgel van de hervormde kerk in Stavoren zijn lange tijd onduidelijk geweest: wat was het bouwjaar, wie waren de bouwers?
Het orgel heeft een prachtige klank, ,,waarbij we uiteraard in het midden moeten laten aan wie we dat te danken hebben’’, schreef Jan Jongepier het eerste deel van Frieslands Orgelpracht .
Toen organist en restauratie-adviseur Jongepier in 1994 gevraagd werd een restauratieplan op te stellen, dook hij in de geschiedenis. Langzaam maar zeker zijn er heel wat raadsels opgelost, zo blijkt uit het informatieboekje dat Jongepier over het orgel heeft geschreven.
De restauratie is vorig jaar begonnen en inmiddels afgerond. Morgenmiddag om 14.00 uur vindt de officiële ingebruikname plaats en komende zondag wordt in een feestelijke eredienst aandacht aan het orgel besteed. De kerk wordt gebruikt door de Samen-op-Weggemeente van Stavoren.
Al in 1521 moet de kerk van Stavoren een orgel hebben gehad, want notulen uit dat jaar melden dat organist ‘mr Gerryt’ weggestuurd werd vanwege lutherse sympathieën. De eerste gegevens van daarna dateren van de zeventiende eeuw. Daaruit blijkt dat het orgel verschillende malen is gerepareerd en gerestaureerd.
Het huidige orgel is echter van later datum. Het precieze bouwjaar is echter lange tijd niet duidelijk geweest. Het enige wat duidelijk was, was dat het vóór 1788 moest zijn geweest. Meerdere bronnen vermelden 1722. Jongepier ontdekte het juiste jaartal: op de bovenste regel van de achterwand van de hoofdwerkkas, in het midden, is met potlood geschreven ‘Wiebe Meijes en Meije Wiebes, maackers van dit orgel, anno dominum 1786’. Iets lager staat: ‘Johan Spooreman Mr., orgelmaaker a Franequer, aangenoome int Jaar 1788.’

Desastreus

Orgelmaker Wiebe Meijes had zich in 1760 in Stavoren gevestigd. Een paar jaar later nam hij de titel ‘meestertimmerman’ aan. Daarnaast was hij ouderling in de Gereformeerde Kerk. Het werk dat hij met zijn zoon Meije Wiebes leverde, liet echter zwaar te wensen over, zo blijkt uit de woorden van orgeldeskundige en grietman Nicolaas Arnoldi Knock. In zijn boek Dispositien der merkwaardigste Kerk-Orgelen welken in de Provincie Friesland, Groningen en Elders aangetroffen worden (Groningen 1788) laat Knock niets aan duidelijkheid te wensen over als gaat het over het Staverse orgel: ‘De maakers van dit Werk zyn geweest, Wiebe Meyes en Meye Wiebes, Vader en Zoon, beide Huistimmerlieden. Edog het heeft naderhand gebleken, dat deeze knaapen misschien beter Timmerlieden dan Orgelmaakers geweest zyn; want toen het Orgel zou opgenomen worden, wierd het geheel ondeugend bevonden. Dit is wederom een goede leer voor kerkvoogden, om tot het vervaardigen van een Nieuw Orgel, geene Timmerlieden, of diergelyke Beunhaasen te gebruiken, maar liever een bekwaam, eerlyk en vermaard Orgelmaaker te bezigen.’ Zulke scherpe woorden zijn uniek in de achttiende-eeuwse Nederlandse orgelliteratuur, zegt Jongepier. Dat zoon Meije Stavoren verliet na het overlijden van zijn vader in 1784, heeft mogelijk met die desastreus verlopen orgelbouw te maken.
Zoals uit de tekst op de hoofdwerkkas blijkt, was het Johannes Spooreman uit Franeker die het orgel na twee jaar herstelde. Hij kreeg daarvoor 52 gulden en tien stuivers. De blaasbaltreder ontving zeven gulden en zestien stuivers, waaruit afgeleid kan worden dat het herstel behoorlijk wat tijd in beslag nam.
Ids Doedes was de hervormde organist ten tijde van de bouw. Ook zijn naam is op de kas vermeld. Doedes was schoolmeester, organist en onderwijzer in de zeevaart. In 1767 werd hij tot diaken benoemd, maar er kwam er werd ‘swarigheid ingebragt’ wegens zijn ‘moeilyk beroep’. De stadsbode bracht de kerkenraad uiteindelijk op de hoogte van de beslissing van het stadsbestuur: Doedes mocht geen diaken worden.
In het begin van de negentiende eeuw besloot de kerkenraad het herstel van het orgel opnieuw door een professional te laten doen, en wel door de bekende orgelmakers Van Gruisen. Op de binnenzijde van een luik van de achterwand was kort na die restauratie van 1819 het volgende rijmpje te lezen: ‘Het is Meije Wiebes en Wiebe Meijes wien de eer van de orgel heeft weggedragen / Maar wie zou zich ook anders met die eer willen behagen? / En wie was nu eigelijk die de eer er van toekomen / Het was van Gruisen die het verder ondernam, / Maar zulken als Mije Wiebes die staan ook niet bekend / In de voorname orgelmakerstestament.’ Voor zover bekend was dat de laatste ‘trap’ die de orgelmakers in prozavorm op hun eigen orgel kregen.
In 1860 kwam de bedreiging van een heel andere kant: tijdens een storm stort de westgevel van de kerk in. Het kopergoed en de bijbels worden snel veiliggesteld in de pastorie. Het orgel moet ontmanteld worden.

Hervormd geld

Op de fundamenten van de oude kerk wordt een nieuwe gebouwd, maar het duurt nog even voordat ook het orgel herbouwd wordt. De kerkenraad heeft de hervormde orgelmaker N.A.G. Lohman uit Groningen de voorkeur boven de katholiek E.S. Ypma. Belangrijkste reden daarvoor was dat het geld voor de herbouw van het orgel door de gemeenteleden zelf was opgebracht. En om daar nou een katholiek mee te betalen… Voor 775 herbouwde Lohman het orgel in de nieuwe kerk. Dat werk kwam gereed in 1862.
Een beperkte onderhoudsbeurt vond plaats in 1181; daarna gebeurde lange tijd niets met het orgel. In 1901 werd daarom alarm geslagen: het orgel verkeerde in slechte staat. Orgelmaker Van Dam voert de restauratie uit, voor ruim 1500 gulden. In 1964 vond nogmaals een restauratie plaats, door de firma Spanjaard in Haarlem. De restauratie die nu voltooid is, is uitgevoerd door Orgelmakerij Bakker & Timmenga uit Leeuwarden. Het orgel had de laatste jaren geleden onder de verwarming in de kerk. Bij de restauratie zijn enkele ‘ontsierende elementen’ die in 1964 waren toegevoegd, verwijderd. De belangrijkste herstelwerkzaamheden waren: herstel van kassen, windvoorziening, klaviatuur, laden en mechanieken van het hoofdwerk; het aanbrengen van een nieuwe speelmechaniek voor het rugwerk; het aanbrengen van een Van Dam-pedaalklavier uit 1897; herstel van het pijpwerk en restauratie van het ornamentwerk van het front. Ook is er een nieuwe orgelbank gemaakt.
Van het Meyes-Wiebes-orgel rest na alle herstelwerkzaamheden niet veel meer als de kassen, een windlade en de frontpijpen, aldus Jongepier in het informatieboekje. ‘Genoeg om de herinnering aan deze mislukte schepping levend te houden, genoeg ook om een bijzonder orgel in het Friese orgellandschap te koesteren.’

Dispositie

Hoofdwerk:
Prestant 8’
Bourdon 16’
Violoncel 8’
Holpijp 8’
Octaaf 4’
Quint 3’
Octaaf 2’
Roerfluit 4’
Mixtuur 1-3
Trompet bas/disc 8’
Rugwerk:
Prestant 4’
Holpijp 8’
Viola disc 8’
Gemshoor 2’
Fluit d’Amour 4’
Quintfluit 3’
Pedaal aangehangen aan het hoofdwerk, klavierkoppel en tremulant.

Vertel een vriend | Reageer op dit artikel | Aantal reacties 0


Reacties:

Geloof & Kerk
Familieberichten
Advertenties