De website frieschdagblad.nl maakt gebruik van cookies.


dinsdag 17 oktober

Regiozaterdag, 19 juli 2003

Tentoonstelling in drie musea met verbindende fietsroute langs sporen van turf en inpoldering
Roofbouw, armoede en herstel op het veen
Heerenveen - Grote delen van Fryslân zijn ooit veroverd op het water. Op sommige plaatsen is het beter te spreken van een herovering, nadat de mens eerst door eigen schuld het land verloren had. Dit heeft op grote schaal plaatsgevonden in de laagveengebieden van zuidoost-Fryslân. Eeuwenlang is daar vruchtbare grond afgegraven voor turfwinning.
Een gevolg was dat er water op het waardeloos geworden land kwam, dat vervolgens z’n eigen dynamiek kreeg. De veenplassen werden groter en groter, de golfslag werd heviger en op den duur ging steeds meer land reddeloos verloren in het water. Bewoners van Nij Beets moesten op zeker moment zelfs vluchten voor het water.
De geschiedenis van het zuidoost-Friese landschap is er een van roofbouw en herstel. Veenbazen pakten de winst op korte termijn door de turf als brandstof te verhandelen. De veenarbeiders bleven berooid achter in een armoedige streek. Een geschiedenis waarin sociale en politieke, economische en religieuze omstandigheden nauw met elkaar samenhangen. Ze worden sinds gisteren in beeld gebracht met exposities in het Museum Willem van Haren in Heerenveen, Streekmuseum Opsterlân in Gorredijk en het openlucht laagveenderijmuseum It Damshûs in Nij Beets. Als extra verbindende attractie is er een fietsroute uitgezet (met gids en kaartje) die voert langs kenmerkende plaatsen en elementen in het landschap van de streek.
De expositie in Heerenveen is mede mogelijk gemaakt door wetterskip Boarn en Klif, dat begin volgend jaar samen met de andere Friese waterschappen fuseert tot één all in Wetterskip Fryslân.
Archivaris en historicus Jelle Hagen van Boarn en Klif leverde een belangrijke bijdrage aan de samenstelling van de expositie.
In zuidoost-Fryslân heetten de waterschappen vanouds veenpolders. Ze zijn ontstaan in antwoord op de eerder genoemde roofbouw in het gebied. In 1822 stuurde de koning een lid van de Raad van State naar Fryslân om de situatie in ogenschouw te nemen. Het gevolg dat er in 1823 een Koninklijk Besluit werd uitgevaardigd, waarin de vervening vergunningplichtig werd gesteld. De veenbazen – die oorspronkelijk vooral vanuit de omgeving van Giethoorn naar zuidoost-Fryslân waren gekomen – moesten voortaan belasting betalen: slikgelden en armengelden. De slikgelden werden gebruikt om de onder water gelopen landerijen weer droog te malen. Op deze droogmakerijen of veenpolders werd vervolgens landbouw beoefend door de vroegere turfstekers.
Niet alleen de waterschappen die na 1823 ontstonden, waren een antwoord op de vervening in de eeuwen daarvoor. Ook door particulier en kerkelijk initiatief werden de verarmde veenarbeiders geholpen. En het socialisme van Domela Nieuwenhuis streefde naar een radicale hervorming van de politiek-bestuurlijke orde, in antwoord op de sociale misstanden in de streek. De vaste tentoonstelling over Domela Nieuwenhuis in het Museum Willem van Haren staat dan ook in een natuurlijk historisch verband met de expositie Het slik der aarde, die vanaf vandaag tot en met 14 september duurt.
De expositie bevat ook een vooruitblik op de toekomst van de waterbeheersing in de veenweidegebieden. Ook het huidige agrarisch gebruik kan niet eeuwig zo doorgaan. Door diepteontwatering verzakt de bodem en verschraalt de flora. Steeds nadrukkelijker klinken pleidooien voor ‘vernatting’ van de oude droogmakerijen, ook in het belang van natuurontwikkeling en om in tijden van extreme regenval het wateroverschot te kunnen vasthouden en bergen.

Vertel een vriend | Reageer op dit artikel | Aantal reacties 0


Reacties:

regio
Familieberichten
Advertenties