De website frieschdagblad.nl maakt gebruik van cookies.

dinsdag 24 oktober

Hoofdartikelzaterdag, 4 februari 2017

Vrijheid van onderwijs in de ´vreze des Heren´
De vrijheid van onderwijs is een politiek onderwerp bij uitstek. Onlangs werd herdacht hoe honderd jaar geleden de vrijheid van onderwijs in de Grondwet werd geregeld, na een zware politieke, maatschappelijke en, in zekere zin, kerkelijke strijd. De grondwetswijziging betekent onder meer de bekostiging van bijvoorbeeld rooms-katholieke, protestants-christelijke scholen en Vrije Scholen.
Bij de viering van vijftig jaar christelijk onderwijs werd een herdenkingsboek uitgegeven met de veelzeggende titel Van strijd en zegen. Tot op de dag van vandaag is de vrijheid van onderwijs onderwerp van gesprek. Onlangs besloot GroenLinks dat het bijzonder onderwijs - dat sinds 1917 door de overheid wordt bekostigd - moet worden aangepast. Financiering van onderwijs op religieuze grondslag is ´niet meer van deze tijd´. De wens van GroenLinks zal voorlopig niet worden bewaarheid. Aantasting van artikel 23 van de Grondwet, dat de vrijheid van onderwijs regelt, is voor de meeste politieke partijen taboe.
Die vrijheid is bevochten vanuit de overtuiging dat kinderen opgevoed moeten kunnen worden in het geloof van de ouders. In de zeventiende en achttiende eeuw was dat een vanzelfsprekendheid: de gereformeerde godsdienst was de enige toegestane en de gereformeerde scholen waren de enige erkende. Na de scheiding van kerk en staat in 1796 kwam er verandering. Onder het Franse bewind regelden wetten dat overheden vergunning moesten geven voor oprichting van scholen. De vergunning voor een christelijke school kwam er meestal niet. Dat was de reden tot de ´schoolstrijd´. Ouders verlangden dat hun kinderen werden onderwezen in ´de vreze des Heren´ en dat gebeurde niet op de overheidsscholen.
De vrijheid van onderwijs gaf de mogelijkheid om scholen op te richten vanuit een geloofsovertuiging en theologie. Die waren bepalend voor onderwijs- en vormingsdoelen. De opkomst van pedagogische vernieuwingsbewegingen (Montessori-, Jenaplan- en Vrije Scholen) noodzaakte tot het formuleren van pedagogische uitgangspunten van de christelijke school. Dat is gelukt, maar niet overtuigend en niet blijvend. Er is nauwelijks nog een christelijk kind- en mensbeeld dat operationeel kan worden gemaakt in een eigen pedagogiek en didactiek. Kennis in de christelijke school is vooral ´algemene kennis´, gericht op economisch nut.
Christelijke scholen zijn in veel dingen gelijk aan niet-christelijke. In beide soorten scholen wordt, bijvoorbeeld, het kind vooral gezien als toekomstige economische factor. Door toenemende inhoudelijke eisen, prestatiedwang van de overheid, prestatiewens van de ouders en uit verlegenheid om het anders te doen, slaat de gelijkheid toe. Te- meer omdat er vrijwel geen eigen, christelijke leerstof is.
Tegelijkertijd zijn veel christelijke scholen onderscheidend: inhoudelijke, sociale en morele kenmerken van de christelijke traditie, binding met de ouders en de kwaliteit van de leerkracht als persoon, maken een ´andere´ school. Met name die kwaliteiten zullen de legitimatie zijn voor instandhouding van artikel 23. Nog mooier zou zijn: samen met eigen opvattingen over kennis, een eigen visie op kinderen en kennis vanuit ´de vreze des Heren´.

Vertel een vriend | Reageer op dit artikel | Aantal reacties 0


Reacties:

hoofdartikel
Familieberichten
Advertenties