De website frieschdagblad.nl maakt gebruik van cookies.

dinsdag 24 oktober

Hoofdartikelzaterdag, 30 januari 2016

Het algemene als norm is buitensluitend
Om de zoveel tijd gebeurt het: een (politiek) initiatief dat verwijzingen naar het godsdienstige wil verwijderen uit het openbare leven. Onlangs was er weer een voorbeeld: het initiatief van D66 om de frase 'bij de gratie Gods uit de wetsteksten te halen.
Bij deze en andere voorbeelden is de redenering steeds dezelfde: het godsdienstige is iets voor de privé-sfeer en niet iets voor de publieke ruimte. Die moet 'neutraal’ zijn en dat houdt in zonder godsdienstigheid.
Een ander steeds terugkerend argument in die redenering is dat lang niet iedereen in God gelooft. In de publieke ruimte blieven deze mensen niet te worden geconfronteerd met iets godsdienstigs; ze 'kunnen er immers niets mee.’ De publieke ruimte is er voor iedereen. En dus moeten elementen die vervreemdend zijn voor niet-gelovigen worden verwijderd. In deze redeneringen wordt verhuld dat gelovige mensen die worden geconfronteerd met het weglaten van godsdienstigheid in de publieke ruimte iets missen. Pleidooien voor het godsdienstvrij maken van de publieke ruimte komen neer op het benadelen van gelovigen. Dat nadeel zou zomaar discriminerend genoemd kunnen worden; het onderwerp godsdienstigheid is zwaar genoeg om zo’n kwalificatie te gebruiken.
D66’ers en andere verlichte geesten zien het natuurlijk niet zo. integendeel, de publieke ruimte is immers algemeen, voor iedereen.
Dit standpunt kan alleen worden verklaard met de opvatting dat het godsdienstige een soort toevoeging is, een pakketje dat je thuis kunt laten als je de publieke ruimte wilt betreden.
Deze zienswijze heeft zich kunnen ontwikkelen door denkwijzen rondom het begrip van de rede. Verlichtingsfilosofen legden de nadruk op de redelijke vermogens van mensen, op het verstand. het geloof is, kortweg gezegd, niet redelijk. Een andere bron is het natuurwetenschappelijk denken. Alleen wat meetbaar is, heeft realiteitswaarde. Het meetbare is een essentieel element in het beschrijven van de werkelijkheid via natuurwetenschappelijke verklaringsmodellen. Deze beheersen grote delen van de wetenschap, inclusief de geneeskunde. Ook de modieuze opvattingen over 'ik ben mijn brein’ hangen hiermee samen.
Dit denkklimaat is sinds enkele eeuwen de maat voor het gewone: iedereen die redelijk kan denken, kan er in leven. Zo wordt een vloer gelegd voor denken over en vanuit het algemene als zonder godsdienstigheid.
In de negentiende eeuw kwam het tot confrontaties tussen de heersende denktrant en gelovigen, op diverse niveaus. Een voorbeeld is de schoolstrijd, tussen vooral liberalen en christenen. In die periode werd ook duidelijk hoe het denken vanuit redelijkheid de norm voor liberalen was. Godsdienstigheid was voor de onderklasse. En die moest worden bevrijd uit de kooi van gelovig-zijn.
De verheffing van het redelijk denken boven het geloven is er nog steeds. Ze zit, bijvoorbeeld, achter de opvatting dat geloven tot buiten de grenzen van het algemene, de norm, moet worden verbannen. Wie zich verzet tegen de ban op 'bij de gratie Gods’ bevindt zich in het buitengebied van het niet-redelijke. Met zulken hoeft D66 geen rekening te houden.

Vertel een vriend | Reageer op dit artikel | Aantal reacties 0


Reacties:

hoofdartikel
Familieberichten
Advertenties