De website frieschdagblad.nl maakt gebruik van cookies.

maandag 23 oktober

Hoofdartikeldonderdag, 28 januari 2016

Discussies 'aaisykjen’ op een hoger peil
Het einde van het 'aaisykjen’ is dichterbij gekomen. Het College van Gedeputeerde Staten van Fryslân heeft geen ontheffing verleend voor het rapen van kievitseieren, komend voorjaar. En het is maar zeer de vraag of die ontheffing er in volgende jaren wel komt.
Het beleid van het college is niet onverwacht. Zowel maatschappelijk als juridisch is het rapen van kievitseieren steeds lastiger geworden. Natuurbeschermers hebben in de afgelopen jaren geprobeerd de praktijk van het 'ljipaaisykjen’ in te perken en te verbieden. De Raad van State heeft eisen gesteld aan de provincie voor het verlenen van een ontheffing, onder meer betreffende de welstand van de kievit in Fryslân. Het wordt steeds moeilijker om daar een positief verhaal over te houden: het gaat niet goed met de kievit.
De afgelopen jaren heeft de dreiging van het einde van de traditie voor veel beroering gezorgd. Er zijn Friezen bij wie de beleving van 'it frije fjild’ heel diep gaat. De gedachte dat de vrijheid van het open veld wordt beperkt - er mag nog wel worden gezocht, maar rapen mag niet meer - is hen een gruwel.
Het verbod op het rapen hangt samen met de vogelstand. Het gaat niet goed met de kievit en 'dus’ wordt het rapen verboden. De samenhang tussen rapen en de hoeveelheid kieviten wordt in dit argument wel heel erg strak geformuleerd.
De vogelstand is de resultante van een groot aantal factoren. Het uitvergroten van één factor leidt tot een vertekend beeld. Ook het 'vergeten’ van factoren leidt tot een onjuist beeld. Bijvoorbeeld: vossen en roofvogels vormen een grote bedreiging voor weidevogels. Zowel de vos als de roofvogel komt tamelijk veelvuldig voor. Het is niet ondenkbaar dat er meer jonge vogels worden opgegeten dan dat er worden doodgereden door de boer. Maar het afschieten van vossen is als vloeken in de kerk. Ziedaar een van de vele onbegrijpelijke elementen in de discussies over het rapen van kievietseieren.
Maar er is meer. De bedrijfsvoering van de boeren is drastisch gewijzigd. Het land is droger geworden, waardoor de steeds zwaarder wordende tractoren langer op het land kunnen rijden. Droog land door een lage waterstand is niet bevorderlijk voor het bodemleven en dus niet voor de voedselvoorziening van weidevogels. Dat effect wordt versterkt door de monocultuur van het grasland (Engels raaigras met name). Dat laatste is overigens een factor in de toename van het aantal ganzen. Die grazen maar al te graag in het eiwitrijke grasland.
De veranderingen in het biologische domein van de weidevogels vormen een belangrijke factor voor de grootte van de populatie. Een conclusie die hieruit kan worden getrokken is dat boeren en burgers een (weide)vogelstand krijgen die ze verdienen. In dit perspectief kunnen veel maatregelen die worden genomen om de weidevogelstand op peil te houden, niet anders dan een betrekkelijke waarde hebben. Dat besef zou er toe moeten leiden eens goed te kijken naar de rechtvaardiging van al het geld dat wordt uitgegeven voor die maatregelen. Dat besef helpt ook om de kwaliteit van de discussies over de weidevogels en die over het 'aaisykjen’ kwalitatief op een hoger peil te brengen.

Vertel een vriend | Reageer op dit artikel | Aantal reacties 0


Reacties:

hoofdartikel
Familieberichten
Advertenties