De website frieschdagblad.nl maakt gebruik van cookies.
donderdag 22 februari

Regiowoensdag, 8 december 2010

Marnix Koolhaas schrijft cultuurgeschiedenis van de schaatssport
De rijkdom van het schaatsen in vijftig verhalen

Voor veel Nederlanders is de winter het mooiste jaargetijde dat er bestaat. Als het even meezit, vriest het flink en kan er worden geschaatst. Dat schaatsen heeft een lange en rijke geschiedenis. Schaatskenner Marnix Koolhaas schreef er een boek over.

Door Bauke Boersma.
De voorliefde voor het schaatsen beperkt zich niet tot ons land. Ook in andere landen waar het ’s winters wil vriezen, zijn mensen door het schaatsen gefascineerd. Dat is al eeuwen zo, schrijft Koolhaas in Schaatsenrijden, een cultuurgeschiedenis.
In het fraaie, rijk geïllustreerde boek behandelt Koolhaas de geschiedenis van het schaatsen in vijftig afzonderlijke verhalen. Het openingsverhaal gaat over de allereerste schaatser ter wereld, een visser uit Lapland die zo’n vierduizend jaar geleden uitvond dat je op een rendierbot prima over het ijs kon glijden. In het laatste verhaal staat Koolhaas zelf centraal. Hij beschrijft zijn bezoek aan de meest afgelegen natuurijsbaan ter wereld, gelegen op het Zuid-Atlantische eiland Tristan da Cunha, ergens halverwege Kaapstad en Buenos Aires. ‘Schaatsen kun je overal’, is de toepasselijke titel van dat slotverhaal. Koolhaas: ‘Met brandende spierpijn en versteende benen van het klimmen kom ik tegen de gierende poolstorm nauwelijks vooruit. Maar daar gaat het ook niet om. Ik schaats op het meest afgelegen meertje ter wereld en niemand die me dat genoegen af kan nemen.’
Voordat de lezer bij Koolhaas’ bezoek aan Tristan da Cunha is aanbeland, is er al veel voorbijgekomen. De schaatsende mens in literatuur en schilderkunst, beroemde ijsbanen, Holiday on Ice, Ard en Keesie, schaatsmode, zamboni’s, Reinier Paping, vallen en opstaan, liefde en dood.

Romantiek

Liefde en dood? Zeker, want ook voor de romantiek en het lijden heeft Koolhaas oog. Op het ijs, zo weet hij, zijn liefdes ontstaan, maar sloeg net zo vaak het noodlot toe. Bijvoorbeeld in februari 1638, toen Cornelia Vos, dochter van de grote geleerde Vossius, tijdens een schaatstochtje door het ijs zakte en verdronk. Vondel, die verliefd op haar was, schreef er een rouwlied over.
Vrolijker gaat het eraan toe op een Chinese rolschildering op zijde die in het boek is afgedrukt. Dat kunstwerk geeft een beeld van de schaatscultuur uit de tijd van de Qing-dynastie onder keizer Qianlong (1736-1795. Onbekommerde ijspret zien we ook op de winterlandschappen van Hendrick Avercamp, de zeventiende-eeuwse schilder uit de Gouden Eeuw. ‘Door Avercamp weet de wereld al 400 jaar dat wij een schaatsgek land zijn. Hij is de Rembrandt van het ijs’, schrijft Koolhaas. Van Gogh daarentegen heeft nooit één schaatser geschilderd. Daarvoor kan maar één reden zijn, meent de auteur. De aan ‘zware depressies lijdende schilder hield vooral van de zomer, het licht en de kleuren. De winter maakte hem neerslachtig’.
Daar had Goethe geen last van. Duitslands grootste dichter, geboren in 1749, was verslaafd aan de wintersport. In het boek staat een prachtige kopergravure van de jonge Goethe op het ijs, onder toeziend oog van zijn moeder en twee (vrouwelijke) bewonderaars.

Oma

Koolhaas heeft zijn boek opgedragen aan Johan van Buttingha Wichers, de eerste schaatshistoricus van Nederland en auteur van het in 1888 uitgegeven standaardwerk Schaatsenrijden. Met zijn eigen werk treedt Koolhaas definitief in de voetsporen van Wichers, want eerder publiceerde de Amsterdammer een veelgeprezen boek over de Elfstedentocht van 1963. Met dank aan zijn oma. Zij was het die Koolhaas de liefde voor het schaatsen bijbracht.
i Schaatsenrijden, een cultuurgeschiedenis. Marnix Koolhaas. L.J. Veen, 24,95 euro

Vertel een vriend | Reageer op dit artikel | Aantal reacties 0


Reacties:

regio
Familieberichten
Advertenties