De website frieschdagblad.nl maakt gebruik van cookies.
maandag 22 januari

Geloof & Kerkdinsdag, 14 september 2010

Ramp legt discriminatie van minderheidsgroepen in Pakistan bloot
Intolerantie jegens christenen zit diep in Pakistan

Karachi - De afgelopen weken constateerden hulporganisaties dat christenen en andere minderheden in Pakistan nauwelijks of geen hulp krijgen, nadat het land eind juli werd getroffen door enorme overstromingen. Arabist Martin Janssen schetst de achtergronden van het land waarin minachting voor minderheden diep wortel hebben geschoten.

De discriminatie van christenen en Hindoestanen in Pakistan gaat zelfs door in tijden van rampspoed. Meer dan 200.000 christelijke vluchtelingen en 150.000 Hindoestanen in de provincie Punjab wordt iedere humanitaire hulp ontzegd. Deze waarschuwing lieten medewerkers van de katholieke hulporganisatie Caritas en andere ngo’s de afgelopen weken horen. Een plaatselijke medewerker van Caritas liet weten dat ,,de christelijke vluchtelingen vaak genegeerd worden. Ze worden met opzet niet geregistreerd zodat ze automatisch zijn uitgesloten van voedsel of gezondheidszorg. Officieel bestaan ze namelijk niet.” Nazir Bhutti, voorzitter van het Pakistan Christian Congress stelde in een verklaring dat ,,haat tegen christenen ertoe leidt dat in vele regio’s geen enkele vorm van hulp arriveert”.
Bovenstaande verklaringen roepen vragen op, die om een antwoord vragen. Dat geldt ook voor het feit dat westerse hulpverleners, die de lijdende Pakistaanse bevolking te hulp zijn geschoten, voortdurend op hun hoede moeten zijn voor aanvallen van gewapende radicale bewegingen. Het schetst een beeld van een samenleving waarin intolerantie jegens de ander hoogtij schijnt te vieren. Welke factoren zijn medebepalend voor het Pakistan van anno 2010?
De nieuwe natiestaat Pakistan zag het levenslicht in 1947 en werd geboren in een orgie van geweld en bloedvergieten, toen het Indisch subcontinent werd opgedeeld in de staten India en Pakistan. De nieuwe staat had vanaf het begin een zwakke nationale identiteit, omdat de vele verschillende volkeren en stammen die op haar grondgebied woonden weinig meer met elkaar gemeen hadden dan hun godsdienst, de islam.

Gelijke rechten

Dit wordt geïllustreerd door bijvoorbeeld het gegeven dat de nationale taal van Pakistan, het Urdu, feitelijk de taal is van een minderheid. Vanaf haar conceptie in 1947 speelde de volgende vraag: was Pakistan bedoeld als ‘homeland’ voor de Indische moslims of moest het een islamitische staat worden? Mohammed Jinnah, een van de stichters van de staat Pakistan, sprak in 1947 de volgende historische woorden: ,,Jullie zijn thans vrij om naar jullie tempels, moskeeën of andere plaatsen van eredienst te gaan. Jullie kaste of godsdienst is geen zaak van de staat. We starten met het fundamentele principe dat we allen burgers zijn met gelijke rechten.’’
De Pakistaanse christenen hadden net als andere minderheden zoals de Hindoestanen grote hoop gesteld op Jinnah. Met zijn dood in 1948 leek echter ook zijn visie voor Pakistan te verdwijnen. Enkele factoren zouden de contouren van de nieuwe Pakistaanse staat gaan bepalen. De eerste factor is de grote rol die militairen vanaf het begin tot op heden in Pakistan hebben gespeeld. Deze rol werd mede veroorzaakt door het voortdurende conflict tussen Pakistan en India over de provincie Kashmir. Kashmir behoort tot India maar heeft een islamitische meerderheidsbevolking, die vanaf het begin aansluiting zocht bij Pakistan. Het Pakistaanse leger gaat allerlei gewapende islamitische bewegingen steunen, zoals het Lashkar-e-tayyiba in haar strijd tegen India. Aldus ontstaat er een band tussen het Pakistaanse leger en gewapende islamitische groeperingen met een vaak extremistische agenda.
Er is vanaf het begin ook een grote rol weggelegd voor islamitische geestelijken in Pakistan. Het leger begreep dat de islam feitelijk het enige bindmiddel was dat de Pakistaanse staat innerlijke cohesie kon schenken. Zo ontstond een nauwe samenwerking tussen officieren en geestelijken met een politieke agenda. Deze samenwerking vond in 1977 haar bekroning in de staatsgreep van generaal Zia ul-Haq, die een volkomen islamisering nastreefde van de Pakistaanse samenleving. De islamitische wet, of de sharia werd de nieuwe wet van Pakistan, wat een enorme verslechtering betekende van de positie van Pakistaanse christenen en andere minderheden. De vrijheid van godsdienst, zoals verwoord in de Pakistaanse grondwet, werd vanaf dat moment niet meer uitgelegd volgens internationale verdragen maar volgens de discriminerende bepalingen van de sharia. Er volgde een totale islamisering van de jurisdictie in Pakistan.

Koranscholen

Een groot probleem in Pakistan vormen de 15.000 koranscholen of madrassas. In plattelandsprovincies zijn ze vaak de enige vorm van onderwijs, maar ze zijn ook aanwezig in de buitenwijken van alle Pakistaanse steden. In deze madrassas wordt een zeer intolerante vorm van de islam onderwezen, die vijandig staat tegenover andere religies. De taliban zijn een product van deze madrassas, die in Pakistan een klimaat schiepen van permanent geweld.
De Sovjetinvasie van buurland Afghanistan in 1979 maakte van Pakistan de belangrijkste westerse bondgenoot in de regio. Het leidde de aandacht af van de totale islamisering binnen Pakistan zelf. Deze rol van Pakistan werd nog sterker in 2001, toen het westen de oorlog tegen het terrorisme begon. Er werd in het westen weinig aandacht aan besteed dat de taliban hun opleiding hadden gekregen op Pakistaanse koranscholen. Het grote belang van het nucleaire Pakistan voor het westen leidde de aandacht af van het religieuze geweld in Pakistan tegen minderheden zoals christenen en hindoestanen.
De impact van de koranscholen in Pakistan op het openbare leven is enorm. Ze schiepen in de Pakistaanse samenleving een algemeen klimaat van intolerantie en geweld, waarvan met name christenen voortdurend de dupe werden. De algemene klacht van christenen is dat de Pakistaanse autoriteiten niets doen om hen hiertegen te beschermen. De waarheid is echter dat het geïslamiseerde Pakistaanse rechtssysteem deze discriminatie en intolerantie eerder wettelijk beschermt dan bestrijdt.
De gevaarlijkste ontwikkelingen voor christenen waren de ‘qanoun-e-shahadat’ uit 1984 en de blasfemiewetten uit 1986. De ‘qanoun-e-shahadat’ oftwel de ‘wet betreffende getuigenis’ stelt, dat de getuigenis van een niet-moslim tijdens een rechtszaak slechts de helft van de waarde heeft van de getuigenis van een moslim. De wet geeft bovendien individuele rechters de bevoegdheid om de getuigenis van niet-moslims überhaupt te weren. Dit alles is volkomen in overeenstemming met de islamitische sharia en leidt er in de praktijk toe, dat christenen geen enkele rechtsbescherming hebben. Wanneer een christen van zijn land, eigendommen of zelfs echtgenote wordt beroofd door een moslim, heeft het weinig zin om naar het gerecht te stappen. De rechter kan ten eerste zijn getuigenis weigeren, maar ook in geval zijn getuigenis wel wordt toegestaan zal hij vrijwel zeker de rechtszaak verliezen. De getuigenis van de gedaagde moslim heeft immers dubbele waarde voor de Pakistaanse wet. Er is weinig fantasie voor nodig om te begrijpen waar dit in de praktijk toe leidt.

Blasfemiewetten

Nog gevaarlijker echter zijn de blasfemiewetten, oftewel sectie 295 van de Pakistani Penal Code. Sectie 295-B stelt levenslange gevangenisstraf op het ontwijden van de Koran en sectie 295-C stelt de doodstraf op denigrerende opmerkingen over islam en Mohammed. Deze blasfemiewetten hebben letterlijk een dodelijk effect op christenen. Op basis van de getuigenis van een willekeurige moslim kan het leven van een christen plotseling eindigen in een dodencel. De blasfemiewetten hangen letterlijk als het zwaard van Damocles boven hun hoofden. Het schept een ongekende situatie van angst en onzekerheid.
Het samenspel van een discriminerende wetgeving en de omvangrijke verspreiding van intolerante gedachten via scholen, media en moskeeën hebben in Pakistan een klimaat geschapen, waarin minachting voor en geweld tegen minderheden onderdeel van het maatschappelijke leven lijken te zijn geworden. Dieptepunt hierbij vormde december 2009, toen vrijwel alle Pakistaanse kerken als gevolg van bedreigingen hun kerstvieringen aflasten. Dat dit geweld zelfs doorgaat in tijden van watersnood en andere rampspoed hoeft daarom niet te verbazen. Het Pakistan van anno 2010 lijkt een spookbeeld van het Pakistan, dat Muhammed Jinnah in 1947 voor ogen stond.

Vertel een vriend | Reageer op dit artikel | Aantal reacties 1


Reacties:

Kortom: De splitsing van voormalig Brits Indië in de twee staten India en
Pakistan is een grote historische vergissing geweest en heeft geleid tot
een wapenwedloop en armoede.

M.J. Mulder, Groningen - woensdag, 15 september 2010


Geloof & Kerk
Familieberichten
Advertenties