|
Home Regio Geloof & Kerk Opinie Economie Sport Cultuur Kerkdiensten |
Het Woord van God als constructie van een schrijverscollectief
Is de Bijbel geďnspireerd of vooral gemanipuleerd?
Dat de eerste vijf Bijbelboeken niet door Mozes persoonlijk zijn opgeschreven is in brede kring geaccepteerd. Maar volgens Karel van der Toorn is het hele Oude Testament een constructie van de schrijvende elite. Terecht? Zijn boek Wie schreef de Bijbel? Is volgens dr. Klaas Spronk een ontnuchterende maar ook versimpelende kijk op de ontstaansgeschiedenis van het Oude Testament.
Het boek Wie schreef de Bijbel? staat op dit moment bovenaan in de boekentop 10 van theologische boeken. Het zegt alles over de zoektocht van mensen over meer informatie over de ontstaansgeschiedenis van de Bijbel. Het is ook een boek dat nogal wat mensen onrustig maakt als ze het eenmaal ter hand hebben genomen.
In zijn boek betoogt Karel van der Toorn dat, meer dan profeten of koningen, professionele schrijvers verantwoordelijk waren voor de inhoud en de status van onze heilige boeken. Het idee van schriftelijk vastgelegde goddelijke openbaring zou door schrijvers zijn bedacht, uit eigen belang. Dat is schrikken, maar klopt het wel?
Als kleine jongen wilde hij ooit zendeling worden, vertelt Karel van der Toorn in een interview in Memory Magazine van begin 2008. Uiteindelijk maakte hij carričre binnen de wetenschap. Op jonge leeftijd werd hij hoogleraar antieke religies, daarna decaan van de faculteit Geesteswetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam en in 2006 voorzitter van het College van Bestuur van die universiteit. Onderweg heeft hij zijn geloof verloren.
In zijn boek, dat hij het ,,slotstuk van mijn wetenschapsbeoefening” noemt, schrijft hij daar niet over. Hier is hij aan het werk als historicus, niet als theoloog en zeker niet als (on)gelovige. Toch is aan alles te merken dat hij het wereldje van bijbelexegeten en gelovigen goed kent. Hij zet zich er namelijk meer of minder subtiel tegen af. Dat doet hij vanuit het perspectief van de deskundige van met name de oude Mesopotamische cultuur.
Van der Toorn publiceerde eerder een aantal gezaghebbende studies waarin hij het (geloofs)leven zoals beschreven in de Bijbel belicht vanuit de veel beter gedocumenteerde Assyrische en Babylonische wereld. Een mooi voorbeeld is zijn boek Van haar wieg tot haar graf: Godsdienst in het leven van de Babylonische en Israëlitische vrouw (1987). Nog steeds het bestuderen waard voor wie iets wil proeven van het alledaagse leven toen en daar.
Het was ook een heel goed idee om, zoals hij het zelf formuleert, de ‘aandacht te richten op de schrijvers en geleerden van het oude Nabije Oosten, in een poging om de sociale context te begrijpen van de religieuze geschriften die ze hadden vervaardigd’. Het helpt de moderne lezer om zich te verplaatsen in een heel andere wereld, zonder tekstverwerker en eenvoudige kopieermogelijkheden. De schrijvers van toen leefden in een cultuur waarin men in de eerste plaats mondeling communiceerde. Men las geen boeken, maar luisterde naar verhalen. Een boodschapper vertelde door wat hem ter ore was gekomen. Als er al werd geschreven, stond dat in dienst van het gesproken woord. Schrijvers deden hun werk doorgaans ook anoniem.
De oudste Bijbelhandschriften stammen uit de eerste eeuw voor het begin van de jaartelling. Dat is vaak vele eeuwen nadat ze voor het eerst werden opgeschreven of verzameld. Op basis van nauwkeurige lezing kan en moet soms worden aangenomen dat de teksten zoals die ons zijn overgeleverd, zijn bewerkt, aangepast, uitgebreid of samengesteld uit oudere teksten. Harde bewijzen daarvoor ontbreken echter. Daarentegen zijn bijvoorbeeld van het beroemde Gilgamesh-epos een aantal verschillende versies ontdekt, omdat ze bewaard bleven op duurzame kleitabletten. Die laten zien dat dit oude verhaal in de loop der eeuwen is uitgebreid en dat sommige gedeelten zijn vervangen.
Losse uitspraken
Op basis van dit en ander vergelijkingsmateriaal maakt Van der Toorn zich een voorstelling van hoe het bij het ontstaan van de Bijbelboeken toegegaan kan zijn. Daarbij doet hij een aantal interessante suggesties. Hij presenteert ze met overtuiging en veel argumenten, maar meer dan mogelijkheden zijn het niet. Volgens hem werd er van het boek Deuteronomium in de tempel een ‘moederafschrift’ bewaard.
Dat exemplaar diende als voorbeeld voor afschriften die elders gebruikt konden worden. Na ongeveer veertig jaar was dat ‘moederafschrift’ versleten en moest er een nieuw exemplaar worden gemaakt. Bij die gelegenheid kon de tekst worden geactualiseerd. Op gezag van de hogepriesters konden dan noodzakelijke toelichtingen of nieuwe inzichten worden toegevoegd. Van der Toorn ziet aanwijzingen voor vier opeenvolgende edities.
De profetenboeken zouden hun oorsprong hebben in verzamelingen met losse profetische uitspraken die in de tempel bewaard werden. Aanvankelijk ging het om de vastlegging van mondeling gegeven orakels, later zouden profeten hun boodschap vooral schriftelijk hebben doorgegeven door toevoegingen aan het bestaande materiaal. Dat hangt samen met een door Van der Toorn veronderstelde omslag in hoe men tegen openbaring aankeek. Vroeger ging het om direct contact tussen God en mensen die op een of andere wijze iets van Hem doorkregen en dat doorvertelden.
Vanaf de zevende eeuw voor onze jaartelling kwam steeds meer de nadruk te liggen op het geschreven woord. Alleen het vastgelegde woord, afkomstig van een schrijver met autoriteit, had nog gezag. Dat maakte de schrijvers als beheerders, en in veel gevallen ook uitvinders, van die schriftelijke tradities tot belangrijke mensen. Hier ligt de oorsprong van het idee van de Bijbel als heilig boek.
Van der Toorn neemt nadrukkelijk afstand van de traditionele protestantse opvatting dat de Bijbel zichzelf bewijst als goddelijke openbaring. Hij stelt ontnuchterend vast dat het een constructie van de schrijvende elite was die daarmee zichzelf aanstelde als beheerder van het religieuze erfgoed en paal en perk stelde aan openbaring als een levende bron.
Ezra of Mozes
Dit alles wordt nog versterkt in het beeld dat Van der Toorn schetst van de manier waarop uiteindelijk de lijst van canonieke boeken werd vastgesteld. Dat had meer met politiek dan met godsdienst te maken. Om te beginnen is het volgens hem aan de Perzen te danken dat de boeken van Mozes als gezaghebbend geschrift ging gelden. Zij gaven Ezra de opdracht om, net als bij de andere onderhorige volken, de eigen wetgeving helder vast te leggen. Dat leidde tot de samenstelling en redactie van de Pentateuch.
De verzameling en vastlegging van de overige oudtestamentische geschriften past volgens Van der Toorn heel goed in de daaropvolgende Hellenistische periode. Net als in de omliggende volkeren ontstond de behoefte de eigen geschiedenis vast te leggen. Dat leidde tot de verzameling van historische boeken. Zo verzamelde men ook de poëzie en de wijsheidsgeschriften.
Kenmerkend acht hij de totstandkoming van de verzameling van de twaalf kleine profeten. Men zou bewust voor dat twaalftal gekozen hebben en daartoe zelfs een twaalfde profeet, namelijk Maleachi, bedacht hebben om tot een afgerond geheel te komen. Daarmee zouden de schrijvers hebben willen aangeven dat de periode van de profetie ten einde was gekomen. Voortaan zou men het met geschreven woord alleen moeten doen.
In de laatste zin van zijn boek schrijft Van der Toorn dat we de Bijbel met andere ogen gaan lezen als we de rol van de schrijvers bij de totstandkoming van de Bijbel gaan erkennen. Daar heeft hij gelijk in. Of we het moeten zien zoals hij ons voorstelt is nog maar de vraag.
Hij schetst een intrigerend beeld van de gang van zaken. Als een soort detective ontrafelt hij het bewijsmateriaal en ontmaskert hij de schrijvers. Maar er zitten wel flinke gaten in zijn bewijsvoering en hij is zo gefocust op de rol van de schrijvers dat hij soms een tunnelvisie lijkt te hebben. De gegevens uit de Bijbel zijn moeilijker te duiden dan het materiaal uit Mesopotamië. Op zijn minst zal Van der Toorn moeten toegeven dat ze in veel gevallen ook anders uitgelegd kunnen worden. Zijn reconstructie is mogelijk, niet meer dan dat.
‘Eenvoudige’ gelovige
In zijn verantwoording merkt Van der Toorn op dat hij in feite een inleiding op de Bijbel heeft geschreven. Daarbij moet dan nog wel heel veel worden uitgewerkt. In sommige gevallen geeft hij een veelbelovende aanzet, bijvoorbeeld als het gaat over de rol van de schrijvers in de Hellenistische tijd: het is interessant om de in die tijd samengestelde historische boeken van het Oude Testament te vergelijken met de werken van beroemde geschiedschrijvers uit die tijd als Herodotus, Manetho en Berossos.
Wat moet de ‘eenvoudige’ gelovige Bijbellezer nu met dit alles? Van der Toorn zal antwoorden dat hij zich als historicus niet met deze vraag bezig houdt. Hij zal zich er wel bewust van zijn dat zijn benadering heel relativerend is. Zijn studie is koren op de molen van atheďsten, zoals blijkt uit het feit dat een interview met Van der Toorn over zijn boek is opgenomen op de website positief atheďsme (http://www.positief-atheisme.nl/karel_v_d__toorn.htm).
Het idee van een bovennatuurlijke inspiratie gaat in zijn boek geheel schuil achter de aangetoonde manipulaties door schrijvers en politieke machthebbers. In zekere zin legt hij daarmee de vinger bij een gevoelige plek in de omgang met de Bijbel als heilig boek. Hij roept namelijk de vraag op in hoeverre er in de vastgelegde geschriften nog iets herkenbaar is van een levende omgang met God. Wie het boek van Van der Toorn gelezen heeft zal daar niet veel vertrouwen in hebben gekregen.
Je kunt dit positief zien: het is een wonder dat het nog gebeurt, dat mensen inspiratie putten uit die oude geschreven woorden. Er blijkt een geestkracht uit die door geen letter gedood kan worden. In ieder geval maakt Van der Toorn duidelijk dat het goed is om te blijven letten op de relatie tussen het heilige, voor altijd vastgelegde boek en de levende, zich steeds vernieuwende geloofstraditie.
i Karel van der Toorn, Wie schreef de Bijbel? De ontstaansgeschiedenis van het Oude Testament, Ten Have, 29,90 euro
i Dr. Klaas Spronk is hoogleraar Oude Testament aan de Protestantse Theologische Universiteit. Hij vervulde een groot aantal onderzoeksfuncties en docentschappen op het terrein van het Oude Testament, aan verschillende Nederlandse universiteiten.
Fertel in freon | Reageer op dit artikel | Aantal reacties 5 Reacties: Na mijn vakantie viel mijn oog al koppensnellend op dit artikel. Wie
K.S. van der Brug, Leeuwarden - maandag, 5 oktober 2009 Zeer lezenswaardig, maar vooral de reacties: drie stuks waarvan er twee weer concentreren over ‘De’ Waarheid en ‘Het’ Bewijs. Als je in het geloof iets leert is, dat dat niet bewijsbaar is en dus geen enkele zekerheid biedt volgens de lijn der bewijstheorieën. Daarmee zit je aan de kern van het begrip ‘geloof’. Daar hebben veel mensen moeite mee en dus gaan ze "gronden" zoeken" die "geloof" aannemelijk maken anders dan door "geloof". Dan lijd je dus onherroepelijk schipbreuk. Zie de "godsbewijzen" uit de Scholastiek. Onhoudbaar.
Willem Boot, Opperdoes - donderdag, 24 september 2009 Na alles, dat in de zestiger jaren via Kuitert en consorten naar ons toegekomen is, blijkt dit boek aan elkaar te hangen van veronderstellingen, die niet kunnen worden bewezen, maar toch proberen de schrijvers van de Bijbel subtiel in een bedenkelijk daglicht te plaatsen.
J. Elsinga, Ermelo - donderdag, 24 september 2009 Je kan wel deskundig zijn maar dat zegt niets over het geloof van iemand.
Henk Rijstenberg, Veenendaal - donderdag, 24 september 2009 Als Van den Toorn helemaal gelijk heeft in zijn visie op de onstaangeschiedenis van het Oude Testament is daarmee helemaal nog niet gezegd dat de Bijbel daarmee niet zichzelf bewijst als goddelijke openbaring. Die goddelijkheid zit namelijk niet in de manier waarop de Schriften tot stand zijn gekomen, maar in het waarheidsgehalte van de tekst. Deze is onomstotelijk van goddelijk gehalte. Nergens wordt de waarheid van God over zondaren zo duidelijk en eerlijk neergezet als in de Schrift. Natuurlijk is God bij machte via verdieping en ontwikkeling van teksten en samenvoeging en actualisering van bronnen Zijn Woord tot stand te brengen. Waarom zou dat niet kunnen? Alleen het ongeloof kan dat ontkennen. Een studie als van Van den Toorn is zeer voorlopig en gaat niet over het goddelijk gehalte van de Bijbel. Het idee dat Zijn studie iets zegt over het goddelijke gehalte van de Bijbel gaat zijn eigen wetenschappelijk werk te buiten. A. van Lingen, Nieuw-Lekkerland - woensdag, 23 september 2009
|
Advertenties
|