De website frieschdagblad.nl maakt gebruik van cookies.
zondag 19 november

Regiomaandag, 15 december 2008

Samen optrekken maakt ontwikkelingswerk efficiënter, weet Tűmba
Hulpclubs moeten netwerken

Leeuwarden - Een Friese webwinkel met producten die gemaakt zijn in door Friezen ondersteunde gebieden in Oost-Europa of de Derde Wereld. Of een vrachtwagen die op weg naar project A de overgebleven ruimte benut voor project B.

Zolang lokale, particuliere stichtingen voor ontwikkelingshulp maar contact met elkaar zoeken komen dit soort kruisverbanden vanzelf tot stand, is de overtuiging van centrum voor wereldburgerschap Tűmba. Vanuit die gedachte hield de organisatie zaterdag een dag vol workshops in de Adelaarkerk in Leeuwarden.
Zo’n 35 vrijwilligers van 25 tot dertig stichtingen wisselden er ervaringen uit. Fryslân heeft naar schatting vierhonderd clubs die ‘iets goeds’ voor elkaar willen krijgen in een ver land. 270 hebben een (advies)relatie met Tűmba. Vaak gaat het om een hulprelatie tussen een Fries en een Afrikaans (of Aziatisch, of Oost-Europees) dorp, ontstaan doordat een dorpsgenoot daar persoonlijke contacten heeft.
Op zich is er niets mis met zo’n concrete, beperkte scope, zegt Johannes de Goede van Tűmba, maar zulke clubs hebben wel eens de neiging om werkelijk alles in eigen hand te willen houden, uit een soort vage angst voor bureacratie en overlegstructuren.
,,Ik zeg: toch contacten leggen! Er was vandaag iemand uit Rwanda, die met zijn stichting probeert zijn school van vroeger weer op te bouwen, die door een aardbeving is verwoest. Heel lokaal, heel particulier. Maar wij hebben in ons bestand andere Friese clubs die met Rwanda bezig zijn: goede kans dat ze elkaar van dienst kunnen zijn, bijvoorbeeld door samen een transportcontainer te delen.”

Fair trade

Sikke Marinus uit Nij Beets legde tijdens een workshop uit hoe zijn betrokkenheid met de Palestijnen - hij was daar meerdere malen als verkiezingswaarnemer - uitmondde in een soort importeurschap van allerlei Palestijnse producten, geproduceerd en verhandeld volgens de principes van Fair Trade. Op zich een totaal ander goed doel dan een kinderverzorgingscentrum in Namibië (ook aanwezig), maar Marinus kon wel een aantal basisprincipes aanleren.
,,Als ze bij jouw hulpproject iets maken dat voor de Nederlandse markt interessant kan zijn, stort je dan niet meteen in de bureaucratie van certificering voor Fair Trade. Laat eerst maar eens tien manden in een doos stoppen en opsturen. Betaal er wel meteen een eerlijke prijs voor. Stap ermee naar Wereldwinkels, 15 procent van hun assortiment hoeft niet gecertificeerd te zijn. Slaat je product aan, dan kunnen zíj je helpen met de papierwinkel om alsnog die logo’s te verkrijgen.”
Behalve bij het Namibische project (Beautiful Kidz uit Joure) leefden er onder Marinus' gehoor nog niet echt importideeën, maar de groep blijft in elk geval ervaringen delen. ,,Wie weet kan het uitmonden in een Friese webwinkel met Fair Trade-producten. Dat hoeft niet ingewikkeld te zijn, maar het heeft wel uitstraling.”

Vertel een vriend | Reageer op dit artikel | Aantal reacties 0


Reacties:

regio
Familieberichten
Advertenties