De website frieschdagblad.nl maakt gebruik van cookies.
woensdag 23 juli

Regiodonderdag, 2 oktober 2008

Han Nijdam van Fryske Akademy promoveert op studie over middeleeuwse boeteregisters
Vrije Fries kende een eigen variant op smartengeld
Bauke Boersma
Leeuwarden - Wie vindt dat hem of haar onrecht is aangedaan, heeft in ons land de mogelijkheid om - via een civielrechtelijke procedure - schadevergoeding of smartengeld te eisen. De rechter bepaalt of het verzoek om letselschade terecht is en stelt, na afweging van alle factoren, de hoogte van de vergoeding vast. Het gaat bij dit onderdeel van het rechtssysteem om het compenseren van leed en verwondingen, van aantasting van iemands eer. Met het toekennen van een schadevergoeding beoogt de wetgever de verstoorde balans tussen dader en slachtoffer te herstellen.
Wie wil weten waar de rechter zijn oordeel op baseert, kan terecht in de bundel Smartengeld. Die wordt elke drie jaar uitgegeven door de ANWB en biedt een actueel overzicht van de jurisprudentie in het toekennen van schadevergoedingen. In de bundel wordt per zaak aangegeven welk bedrag er is geëist, welk bedrag is toegewezen en welk richtbedrag voor een dergelijke zaak is vastgesteld.
Nieuw is deze ordening naar letsel en schadevergoeding niet. Dat blijkt uit Lichaam, eer en recht in middeleeuws Friesland, een studie naar de Oudfriese boeteregisters, geschreven door Han Nijdam. Nijdam is werkzaam aan de Fryske Akademy en promoveert vandaag aan de Universiteit van Leiden op zijn proefschrift. De Fries, die middeleeuwse geschiedenis, antropologie en oud-germanistiek studeerde, heeft acht jaar aan het proefschrift gewerkt.
Volgens Nijdam kunnen de huidige letselschadebepalingen goed worden vergeleken met de boeteregisters die in de middeleeuwen werden gebruikt. Het achterliggende principe was hetzelfde: recht doen aan het slachtoffer, zodat het evenwicht tussen de strijdende partijen wordt hersteld en iedereen de draad van zijn leven weer kan oppakken.

Linkervoet meer waard

Verschillen zijn er natuurlijk wel tussen toen en nu. Al is het maar omdat er in de middeleeuwen aan bepaalde lichaamsdelen bijzondere waarde werd toegekend. Dat was bijvoorbeeld het geval met de linkervoet. Dit lichaamsdeel werd hogelijk gewaardeerd omdat het werd gebruikt om een paard te bestijgen. ‘Tegenwoordig zou de rechtervoet hoger gewaardeerd moeten worden: zonder linkervoet kan men immers nog autorijden maar zonder rechtervoet nauwelijks’, schrijft Nijdam in zijn proefschrift.
De Oudfriese boeteregisters zijn gebruikt vanaf het eind van de dertiende eeuw tot het het eind van de vijftiende eeuw. Dat was de periode van de Friese Vrijheid, toen de Friese landen autonome gebieden waren. Die autonomie week in het toenmalige Europa af van het normale patroon, waarbij een graaf, prins of hertog over een bepaald gebied heerste. In Fryslân maakte de lokale adel, ook wel Vrije Friezen genoemd, de dienst uit. Deze adel hield er een eigen ideologie op na, waarin lichaam en eer een belangrijke rol speelden.
De Vrije Friezen lagen onderling geregeld met elkaar overhoop. De boeteregisters dienden ervoor om dergelijke vetes te beëindigen of te voorkomen, ‘door de verwondingen of beledigingen te compenseren met geld’.
De bepalingen in de boeteregisters kwamen overigens niet uit de lucht vallen. Vóór de dertiende eeuw maakten de Friezen al gebruik van wondlijsten en compensatieregelingen, die waren opgenomen in de Lex Frisionum uit circa 800. ,,Einliks binne de boeteregisters in útwurking fan dy Lex Frisionum. Der is yn it âlde Fryske rjocht dus sprake fan in grutte kontinuiteit”, licht Nijdam toe.
Nijdam kan zich voorstellen dat de boeteregisters in de ogen van moderne lezers misschien wat dor overkomen. ,,It binne gewoan opsommingen fan ferwűnings en jildbedragen. Mar se foarmden foar de Fryske adel yn de midsieuwen wol de kearn fan it rjocht.”
De Oudfriese boeteregisters laten volgens Nijdam een ‘ongewoon helder licht’ vallen op de middeleeuwse kennis van het menselijk lichaam, maar meer nog op de relatie die de middeleeuwers legden tussen het lichaam en eer en recht. ‘Door voor Karel de Grote te strijden in Rome’, schrijft de promovendus, ‘lukte het de Friezen om zich te transformeren van lage, naakte, eerloze, rechtloze slaven die een houten juk droegen, tot hoge, geklede, eervolle, rechthebbende vrije mannen die een gouden ketting en hoog opgeschoren haar droegen ten teken van hun status. Zij behoorden nu niet langer toe aan de heidense Vikingen en hun koning, Redbad, maar vielen nu onder het christelijke rijk van Karel de Grote.’
Wie een ander dus lichamelijke verwondingen toebracht, schond het slachtoffer niet alleen fysiek, maar taste ook diens vrijheid en eergevoel aan. Daar moest wel compensatie, verwoord in de boeteregisters, tegenover staan. De vermenging van lichamelijkheid en eergevoel kan goed worden geďllustreerd aan de hand van het woord frihals, dat in verschillende Germaanse talen is overgeleverd en etymologisch een samenstelling is van fri (vrij) en hals (hals, nek). Nijdam in zijn proefschrift: ‘De hals staat voor het leven. De hals verliezen betekent het leven verliezen, en ook het Oudfries kende het begrip halsmisdaad: een zware misdaad ‘stond op de hals’ of beter nog: kwam je op je hals te staan. Dit schema kwam niet alleen in middeleeuws Friesland voor, maar werd daar wel versterkt door het beeld van de vrije hals die de Fries bezat.’
Uit de boeteregisters valt nog wel meer af te leiden, zegt Nijdam. Ze kunnen ook worden gelezen als metafoor voor wat de middeleeuwse Fries belangrijk vond in sociaal en politiek opzicht. Belangrijk waren bijvoorbeeld huis, hof en omringende landerijen. Huisvredebreuk (hemsekene: iemands huis opzoeken om het te belegeren en eventueel te verwoesten) werd dan ook zwaar opgenomen in het oud-Friese recht. Op dergelijke vergrijpen stonden hoge compensaties.

Huurlingen

Aan het eind van de vijftiende eeuw kwam er een eind aan het Friese inheemse rechtssysteem en de continuďteit van de boeteregisters. Een van de redenen was de inzet van grote aantallen huurlingen in de vetestrijd. Hierdoor kon de veteleider zich niet langer borg stellen voor alle schade die in zijn naam kon worden aangericht en waarvoor hij slachtoffers moest compenseren. ,,Bovendien gold onder de huursoldaten die aangetrokken werden een ander ethos dan onder de Vrije Friezen. Edellieden werden niet langer alleen maar gevangen genomen en tegen losgeld weer vrijgelaten, maar soms ook zonder pardon afgeslacht.”
Met de komst van Albrecht van Saksen in 1498 kreeg Fryslân een centraal bestuur en werd het bestaande rechtssysteem vervangen door het Romeinse recht. ‘Daarmee waren de Oudfriese boeteregisters een dode letter geworden en kwam de Friese Vrijheid met het daarbij behorende mensbeeld ten einde - niet abrupt, maar de coherentie tussen vrijheid, vete en recht was verbroken’, concludeert Nijdam in zijn studie.
Het lukte de Friezen zich te transformeren van lage rechtloze slaven tot hoge, eervolle, rechthebbende vrije mannen

Boeteregister

Document dat de Roomse koning in 1417 tekende en waarmee de Friese Vrijheid werd bevestigd. Illustratie: Tresoar
Een boeteregister zag er bijvoorbeeld zo uit (vanuit het Oudfries vertaald in het Nederlands):
Een vuistslag: 4 penningen
Twee oren afgeslagen: 12 mark
Een oor afgeslagen: 6 mark
Neus geheel afgesneden: een derde weergeld (het volledige weergeld was het bedrag dat ter compensatie van een doodslag betaald moest worden aan de verwanten van de gedode)
Is iemand op het hoofd geslagen, zodat het bloed uit zijn neus vloeit: voor elk neusgat 3 schellingen
Wie door zijn luchtpijp of door zijn strottenhoofd gestoken wordt, zodat hij zijn eten niet kan binnenhouden en rochelt: een derde weergeld
Een hand afgeslagen, zodat hij op de grond valt: een half weergeld
Zit de hand er nog aan maar is hij zo krom als een haak of zo verlamd dat hij niets meer kan pakken: een derde weergeld

Vertel een vriend | Reageer op dit artikel | Aantal reacties 0


Reacties:

regio
Familieberichten
Advertenties