De website frieschdagblad.nl maakt gebruik van cookies.
zaterdag 18 november

Geloof & Kerkvrijdag, 29 augustus 2008

Dominicanen: luis in de kerkelijke pels

Opnieuw wordt het einde geschreven van een religieuze groep in Nederland die als leefgemeenschap geen antwoord heeft weten te vinden op de radicaal veranderde plek van kerk en geloof. Maar het betreft hier wel een van de ooit krachtigste en meest aanzienlijke: de dominicanen.

Paul van Velthoven
De schrijver Herman de Man karakteriseerde in de jaren twintig deze destijds in wijde witte gewaden gehulde ordepriesters als ‘hoog, helder, waardig en schrander’. Zij waren, zoals de kerkhistorica Marit Monteiro zegt die hun laatste akten beschrijft, ooit de kampvechters van het geloof. Het was een eer om tot hun kloostergemeenschappen toe te treden en hun idealen uit te dragen. Dat sloot het aanvaarden van het celibaat als een soms heroïsch gedragen verplichting in. Echt talrijk waren deze paters niet in vergelijking met Franciscanen of sommige later opgerichte congregaties, maar ze waren wel het neusje van de zalm. Halverwege de jaren zestig waren zij met meer dan vierhonderd, nu zijn er minder dan honderd van hen over en denken zij na over samenvoeging met groepen elders.

Grote ommekeer

De afbraak van de verzuiling in de jaren zestig met de daarbij behorende frontmentaliteit, die samenviel en bevestigd werd met de hervormingen van het tweede Vaticaans Concilie (1962-1965), luidde ook voor de dominicanen de grote ommekeer in. Als bewaarders van de kerkelijke traditie bekeerden zij zich tot een theologische voorhoede die kritisch was ten aanzien van de eigen kerk, en de kritiek werd heviger naarmate de kerk de doorvoering en praktizering van de aangekondigde conciliaire vernieuwingen steeds vaker frustreerde.
Er werd sinds die jaren zestig afscheid genomen van veel oude leefregels, en nieuwe uitdagingen deden zich voor. De Nijmeegse theoloog Edward Schillebeeckx was met zijn vele vernieuwende publicaties een van de meest prominente leden van de orde. Maar polarisatie in eigen kring kon niet uitblijven. Prominente ordegenoten als Maltha en Van der Ploeg groeiden uit tot geharnaste tegenstanders van de kerkelijke vernieuwingen.
De jaren zestig waarin de orde getalsmatig de top bereikte, lieten ook het eerste grote verloop zien met tientallen uittreders. Een afgeslankte orde bleef over waarin de vernieuwers tot op vandaag de toon blijven aangeven. Zij lanceerden nieuwe projecten, vormden zogeheten vrije basisgemeenschapen, voor een belangrijk deel uit reactie op het deprimerende kerkelijk beleid van bovenaf. Waarachtigheid werd nu het eerste doel, maar dit kon niet voorkomen dat hun energie toch hoofdzakelijk binnenkerkelijk gericht was.
Veel weerklank
Een van hun laatste verzetsdaden was vorig jaar de publicatie van de brochure Kerk en ambt. Omdat de rooms-katholieke kerken met een steeds groter priestertekort te maken hebben en dit leidt tot ophefffing van steeds meer parochies, bepleitten de Nederlandse dominicanen het voorgaan van mensen uit de eigen gemeenschappen. Hun roep kreeg veel weerklank en liet het isolement zien waarin de bisschoppen verkeerden: die hielden zich doof voor de noden van hun eigen gemeenschappen. Kardinaal Simonis schakelde zelfs de leiding van de dominicanenorde in Rome in, die de actie van hun medebroeders in Nederland veroordeelde. De schrijvers van de brochure legden zich daar vervolgens bij neer.

Predikheren

De Nijmeegse kerkhistorica Marit Monteiro, sinds 2004 hoogleraar in de geschiedenis van het Nederlandse katholicisme aan de Nijmeegse Radboud-universiteit, heeft in opdracht van de dominicanen onder de titel Gods predikers de geschiedenis van deze orde in een zeer lijvige, bijna duizend pagina’s omvattende studie te boek gesteld. Het gaat vooral om de tijd vanaf de opbloei aan het einde van de achttiende eeuw, maar Monteiro beschrijft ook kort de voorgeschiedenis in de lage landen voor hun latere ontplooiing.
De eerste rol van de dominicanen was de prediking, vandaar de bijnaam‘predikheren’. Maar deze historische rol, die hun stichter, de H. Dominicus, zijn volgelingen in de dertiende eeuw had opgedragen, verwaterde in de loop der tijd. Gedwongen door de nood van de omstandigheden verichtten zij het scala aan activiteiten dat ook andere katholieke ordes en latere congregaties zou kenmerken, zoals onderwijs, zieken- en zielzorg. Niettemin bleven de apologetische activiteiten een belangrijke prioriteit. Deze vloeiden immers rechtstreeks voort uit hun rol om onder andersdenkenden het geloof te verbreiden.
De voornaamste filosofie waarvan zij zich in de moderne tijd bedienden was het thomisme. De negentiende-eeuwse paus Leo XIII had de studie van het werk van de H. Thomas van Aquino aanbevolen. Deze liet in zijn werk zien dat tussen geloof en rede geen onoverkomelijke kloof bestond. Het zogeheten neothomisme, in de ontwikkeling waarvan de dominicanen een belangrijk aandeel hadden, dacht niet in antitheses maar in syntheses. Op die manier probeerde de Rooms-Katholieke Kerk de kloof met de moderne wereld te overbruggen, toen frontale aanvallen op het nieuwe vrijzinnige klimaat op niets bleken uit te lopen.

Vluchtheuvel

Binnen de gelederen van de dominicanen was het thomisme lange tijd onaantastbaar, een vluchtheuvel tegen ongewenste gedachtenexperimenten - maar uiteindelijk klonken er tegengeluiden. Monteiro beschrijft in detail deze verwikkelingen. Het gaat bijvoorbeeld over de theoloog Schillebeeckx - als vernieuwer van de theologie niet langer een thomist - die tegen problemen aanliep toen zijn orthodoxie in Rome ter discussie werd gesteld. Dergelijke conflicten waren schering en inslag bij de intellectuele activiteiten van de orde omdat het kerkelijk leergezag steeds de grenzen trekt van alle denkoefeningen. Liefhebbers van deze strubbelingen kunnen in het boek van Monteiro dan hart ophalen.
De geschiedschrijving van Monteiro blijft daar overigens niet toe beperkt. Haar boek wil immers alle aspecten omvatten van het doen en laten van deze orde in de afgelopen twee eeuwen. Het gaat daarom ook bijvoorbeeld over de missie-activiteiten van de dominicanen in het Caribisch gebied en in zuidelijk Afrika. Het is alles bij elkaar wel eens van een uitputtende veelheid.
Monteiro beschrijft als onderzoeker in opdracht van de dominicanen alles loyaal en toch ook kritisch. Haar boek is zeker geen louter adorerende geschiedenis ter ere van de activiteiten van deze orde, en juist daarom ook voor buitenstaanders belangwekkend. Deze naar volledigheid strevende poging om al het doen en laten van deze orde te boekstaven is gerust een monument te noemen. De afstandelijke benadering die deze beschrijving kenmerkt mag trouwens nieuw heten voor een terrein als het onderhavige; het werd doorgaans met veel passie en betrokkenheid beschreven.
Keerzijde van de medaille is dat omdat de auteur zeer bewust geen keuzes maakt, de vraag overeind blijft wat het belang is van deze studie is, los van haar strikt historische betekenis, de vastlegging voor het nageslacht.
Weer wordt een hoofdstuk in de (roomse) kerkgeschiedenis afgesloten, ook al kan weliswaar het laatste woord daarover zeker nog niet gezegd worden. Zoals Monteiro terecht opmerkt is het kenmerkende van de religieuze bestuurscultuur, dus ook die van de dominicanen, dat deze zich weigert neer te leggen bij het schijnbaar onvermijdelijke. Maar vandaar ook die vraag: wat is de betekenis van deze gedetailleerde geschiedschrijving met al zijn hooge- en diepepunten, wanneer het perspectief op de toekomst ontbreekt?
Marit Monteiro, Gods Predikers - Dominicanen in Nederland (1795 - 2000). Uitgever: Verloren, Hilversum. 992 bladzijden. 45 euro

Vertel een vriend | Reageer op dit artikel | Aantal reacties 0


Reacties:

Geloof & Kerk
Familieberichten
Advertenties