De website frieschdagblad.nl maakt gebruik van cookies.
maandag 21 mei

Regiozaterdag, 1 december 2007

Pedagogische lessen van prof.dr. Sieneke Goorhuis-Brouwer gebundeld in een boekje
‘Kinderen kun je niet maken, je kunt ze alleen breken’
ANNEKE VISSER
De laatste jaren valt het haar steeds vaker op. Veel kinderen die met veronderstelde spraak- of hoorproblemen naar de kliniek in het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) komen, blijken na onderzoek volkomen gezond te zijn.
Spraakpatholoog en orthopedagoog Sieneke Goorhuis-Brouwer (61) weet onderhand waar die toename vandaan komt. ,,Ouders en leerkrachten zijn snel ongerust. Ze zijn zo bang dat hun kind niet aan de norm voldoet, dat ze doorschieten in te veel aansturing. Als een kind ook maar iets minder presteert dan de gemiddelde leeftijdgenoot, moet daar alles aan gedaan worden.’’ Inmiddels overkomt het zo’n 35 procent van alle kinderen die voor onderzoek naar de kliniek komen, vertelt Goorhuis-Brouwer. ,,Ze horen goed en praten. Toch zijn ze door ouders, leerkrachten of peuterleidsters aangemerkt als mogelijke achterstandsleerlingen.’’
Dit kan emotionele gevolgen hebben. Kortgeleden kwam er een meisje langs dat in groep 4 van de basisschool zit, illustreert ze. ,,Er waren sterke vermoedens dat ze slechthorend zou zijn. Maar uit het onderzoek kwam naar voren dat ze juist prima hoort.’’ Goorhuis-Brouwer vroeg door over het functioneren van het meisje op school. Toen bleek dat ze niet mee kon komen met lezen. ,,Ze had groep 2 overgeslagen, omdat ze het in de eerste kleuterklas zo goed deed. In groep 3 ging het nog redelijk goed, maar aan het eind van het jaar bleef ze hangen. Ze was mentaal nog niet klaar voor de stof. Tegen juf zei ze dat dat kwam omdat ze haar niet kon verstaan.’’
Ouders, maar ook leerkrachten en bestuurders realiseren zich te weinig dat kinderen niet gelijk zijn, vertelt ze. ,,Ze vergeten dat er een grote spreiding is in de ontwikkeling van kinderen. Sommige kleuters zijn in groep 2 al toe aan schrijven, maar dat geldt zeker niet voor de meerderheid. Ook is het zo dat een kind dat op driejarige leeftijd wat achterblijft bij het gemiddelde, er twee jaar later heel anders voor kan staan.’’ Met het boekje Kleine pedagogiek voor grote mensen. De eerste zeven kinderjaren, waarin ze verschillende aandachtsgebieden in de opvoeding beschrijft, hoopt Goorhuis-Brouwer iets van die overspannen reactie van ouders weg te nemen. ,,Ik hoop dat ze erdoor leren genieten van de bijzondere eerste jaren. Als een kind lekker in z’n vel zit, is er doorgaans niets aan de hand.’’

Aandacht

De aandacht voor peuters en kleuters in het algemeen is de laatste tijd toegenomen, merkt Goorhuis-Brouwer
. Een van de belangrijkste thema’s in de politiek is de bestrijding van taalachterstanden en er wordt flink geïnvesteerd in voor- en vroegschoolse educatie.
Die aandacht is helemaal niet verkeerd, zegt ze. Het moet alleen wel de goede aandacht zijn. Nu richt zich die vooral op de cognitieve ontwikkeling van jonge kinderen. ,,Het is prachtig dat de overheid geld uittrekt voor voor- en vroegschoolse educatie. Maar besteed dat aan de inrichting van een stimulerende omgeving en stop het geld nu niet in allerlei programma’s waarin kinderen getoetst moeten worden. Juist door klassen te verkleinen en peuter- en kleuterleidsters meer te laten leren over de ontwikkeling van jonge kinderen, bestrijd je onderwijsachterstanden.’’
De eerste zeven kinderjaren zijn vooral cruciaal voor de persoonlijkheidsvorming, vertelt ze. ,,In die periode leert een kind vanzelf, door interactie met de juf en met de ouders. Een programma met standaarden en toetsen werkt dat alleen maar tegen. Als een kind zich sociaal-emotioneel goed heeft ontwikkeld, zit het doorgaans lekker in z’n vel. En als een kind gelukkig is, kan het later ook gemakkelijker leren. Op z’n eigen niveau.’’
Waar alle aandacht voor jonge kinderen vandaan komt, weet Goorhuis-Brouwer niet precies. Het heeft volgens haar wel alles te maken met het productdenken dat in de tijdgeest zit ingebakken. ,,Kinderen zijn producten van de samenleving. En die producten moeten goed zijn. Anders worden scholen of ouders er op afgerekend. Het idee heerst nu, dat je dus maar zo jong mogelijk moet beginnen met het vormen van een kind, om problemen verderop in de opvoeding op te vangen. Maar die gedachte van ‘hoe eerder, hoe beter’ sluit helemaal niet aan bij de manier waarop een kind zich van nature ontwikkelt.’’
Ouders en leerkrachten zouden meer naar hun kinderen moeten luisteren, vindt ze. ,,Ze zouden zich bescheidener moeten opstellen. Niet alles op alles zetten omdat hun kind toch minstens naar de universiteit moet, maar rustig kijken hoe hun zoon of dochter zich ontwikkelt en dat stimuleren. Als een kind op jonge leeftijd meer voor de kiezen krijgt dan het aankan, bestaat de kans dat het het zelfvertrouwen verliest en uiteindelijk het bijltje erbij neergooit. Kinderen kun je niet maken, je kunt ze alleen breken.’’

Taalachterstand

De aanpak van taalachterstanden, waar onder meer de provincie Fryslân fors op in zet, is volgens Goorhuis-Brouwer
goedbedoeld, maar mist de juiste basis. Er zijn veel minder taalachterstanden dan gedacht wordt, stelt ze, omdat de definitie van dat begrip niet duidelijk is. Een promovenda van haar hield een enquête over het begrip onder onderwijsmensen en hulpverleners. Daarvoor gebruikte ze een scorebalk die de ontwikkeling van een kind aangeeft. Honderd punten daarop stond voor een gemiddelde score; zodra een kind lager dan 80 punten scoorde, was er sprake van een achterstand. Scoorde het boven de 115, dan presteerde het erg goed. Daartussen in zaten alle normaal functionerende kinderen. ,,We zijn erg geschrokken toen we de enquête analyseerden’’, vertelt Goorhuis-Brouwer
. ,,Wat bleek? De meerderheid van alle leerkrachten en hulpverleners vindt dat een kind dat lager scoort dan honderd, een taalachterstand heeft en dat daar dus wat aan gedaan moet worden. Alsof alle kinderen het gemiddelde zouden kunnen scoren. Ook met iets minder intellectuele of talige mogelijkheden kun je voor de samenleving waardevol zijn.’’Vanuit haar eigen praktijkervaring besloot Goorhuis-Brouwer samen met enkele collega-onderzoekers de strijd tegen de idee van het maakbare kind aan te gaan. Gisteren organiseerden ze in Zwolle voor de tweede keer een congres om een ander geluid te laten horen in de discussie over het onderwijs. Waar ze kan, roept ze ouders, leerkrachten en peuterleidsters op, in het geweer te komen tegen de controlerende maatregelen van de overheid.
De verplichting om jonge kinderen op de voet te volgen en ze voortdurend te toetsen, stuit volgens haar ook het onderwijsgevend personeel tegen de borst. ,,Ze doen het, want ze moeten het doen. Als een leerkracht ook maar een klein beetje twijfelt of een kind zich normaal ontwikkelt, wordt er actie ondernomen. Als ze een achterstand over het hoofd zien, wordt dat ze aangerekend. Maar veel leerkrachten en leidsters die ik spreek, zeggen het jammer te vinden dat ze niet meer af kunnen gaan op hun eigen intuïtie.’’
Er moet van onderaf wat gebeuren om tegenwicht te bieden tegen het regeringsbeleid, vindt ze. ,,Het is goed dat kinderen gelijke kansen krijgen. Maar we moeten niet denken dat kinderen gelijk zijn. De balans moet terugkeren, en daar is een omwenteling in het denken voor nodig. Ik hoop dat die niet lang meer op zich laat wachten.’’
Het hier besproken boek is ook te bestellen via onze webshop, www.fd-extra.nl
.
Groningen – Hoe zorg je ervoor dat een kind gelukkig wordt en zich ontplooit naar eigen kunnen? Zeker niet door het op jonge leeftijd voor te programmeren, stelt prof. dr. Sieneke Goorhuis-Brouwer. Ruim twee jaar lang schreef ze in het Friesch Dagblad columns over de opvoeding van peuters en kleuters. Nu die reeks bijna ten einde is, zijn de artikelen gebundeld in een boekje.

Vertel een vriend | Reageer op dit artikel | Aantal reacties 0


Reacties:

regio
Familieberichten
Advertenties