De website frieschdagblad.nl maakt gebruik van cookies.
donderdag 19 april

Regiozaterdag, 18 augustus 2007

Schrijver en etser Arend van Dam op zijn plaats in Harlingen
Wonen met zeelucht in je neus

In/uit Fryslân

Sommige mensen hebben het op een gegeven moment wel bekeken in Fryslân. Anderen vinden er na jaren elders juist een nieuw thuis. Het Friesch Dagblad spreekt deze zomer mensen die de provincie in of uit gingen. Vandaag kinderboekenschrijver en etser Arend van Dam (54). Na een kwart eeuw wonen in Veenendaal - ‘de Groenste stad van Europa’ - zoekt hij in Harlingen naar drukte en nieuwe verhalen.

WOUTER SMILDE
,,Ik kan niet goed in een hokje werken. Er zijn schrijvers die uren achtereen in hun kamertje zitten te tikken. Mij lukt dat niet. Mijn bureau hier in Harlingen staat aan het raam. Buiten gebeurt altijd wat. Ik kijk uit op het afmeren van de veerboten, om de hoek stopt de trein en de haven is altijd bedrijvig. Ik ga vaak aan het water zitten schrijven, maar ook wel eens in de kroeg. Tikt me ineens een man op de schouder: of ik in de drukte wel kan werken. Blijkt al schrijvend die kroeg vol gelopen. Daar heb ik dan dus niks van gemerkt.
Om te schrijven en etsen is dit één van de mooiste plekken in de wereld: de drukte, de zee, de authenticiteit. Elke dag lopen we een rondje langs het water. Kop in de wind, zeelucht in neus. Heerlijk. Mijn vrouw en ik wonen hier wat ons betreft definitief. Gek, hoe dat werkt met woonplaatsen.
Ik ben geboren in Maassluis, maar ik moest daar weg. Ik draag teveel ballast uit mijn jeugd mee om daar te genieten. Daarna heb ik 25 jaar in Veenendaal gewoond. Dat is ook een mooie plaats, maar ik wist altijd dat het iets tijdelijks was.
Elfstedentocht
Fryslân heeft altijd getrokken. Mijn liefde daarmee begon met vakanties uit mijn studententijd: zeilen in de omgeving van Woudsend, reizen naar de eilanden. In 1986 reed ik tot mijn schande de Elfstedentocht niet uit. Het was half acht ’s avonds en koud. Toen ben ik van het ijs gestapt. Een uur later begon de spijt. Maar elke meter van de 160 kilometer die ik wél reed, was mooi. Ik zie die nog voor me.
Ik ben begonnen met schrijven toen mijn vrouw zwanger was. Ik werkte op dat moment als maatschappelijk werker in de drugshulp in Utrecht, en dacht in die tijd na over wat ik nog meer wilde. Mijn eerste boekje was geschreven voor vaders: ‘Een beetje zwanger’. Ik vond het schrijven zo leuk, dat ik ben doorgegaan met boeken voor kinderen. Twaalf jaar later kon ik van mijn boeken leven.
Canon
Ik schrijf vaak over geschiedenis. Daarover valt zoveel te onderzoeken en te vertellen. In Fryslân stikt het echt van de verhalen. Het verbaast me dat daarover zo weinig is geschreven voor jeugd. Het lijkt me fantastisch een soort Friese canon voor kinderen te schrijven. Maar ik wil Friese schrijvers niet voor de voeten lopen. Dat is een beleefdheidsregel. Ik schrijf ook niks over Zeeland zonder eerst Zeeuwse kinderboekenschrijvers te raadplegen. Vinden zij het goed, dan ga ik aan het werk. Ook al ik woon ik nu in Fryslân, voor mijn gevoel heb ik hier nog geen recht van spreken.
Een mooi verhaal om te vertellen zou dat van Eise Eisinga zijn. Van hem was bekend dat hij als kind al enorm begaafd was. Het is mooi als een kind in de hoofdrol van een geschiedenis staat. Daar kan ik wat mee. Wist je bijvoorbeeld dat Toetanchamon op zijn negende al koning werd?
Als over de jeugd van een historisch persoon minder bekend is, wordt het moeilijker daarover te schrijven. Ik heb zeven jaar gedaan over een boek met de jonge Willem van Oranje in de hoofdrol. Ik wilde eerst een duidelijk beeld hebben van hoe zijn jeugd was, voor ik aan het verhaal kon beginnen.
Platteland
Kinderen lopen achter op boekengebied. Er is weinig beschikbaar dat de geschiedenis vanuit hun perspectief behandelt. Daarmee onthoudt je hen informatie over hun wereld. Ik werk nu aan een boek over het leven van kinderen op het platteland. Er staan geen plaatsnamen in, maar mijn informatie heb ik vergaard in de omgeving van Heeg en Woudsend. Ik ben daarop gekomen, omdat ik veel voorlees op scholen. Sinds een tijdje doe ik dat steeds meer in Fryslân.
Kinderen op plattelandsscholen vroegen me: waarom zijn er geen boeken die over ons gaan? Het viel hen op dat veel kinderen uit boeken in de stad leven. Als het over het boerenleven gaat, is dat idyllisch: dat zijn dan nepboerderijen met één koe, een paar schapen en een hond, waar mensen kalm leven en boeren met de hand melken. ,,Zo is het helemaal niet”, weten die kinderen.
Een meisje van tien zei: ‘kom maar eens kijken hoe het echt is’. Dat heb ik gedaan: op de varkensboerderij van haar vader. Sindsdien loop ik om de zoveel tijd een dagje mee op een boerderij.
Heel specifiek voor kinderen op het platteland is de onzekerheid over de toekomst. Hun ouders overwegen of ze zullen stoppen. Beginnen we een camping? Gaan we naar Canada? Dat soort vragen. De jeugd pikt dat op.”

Vertel een vriend | Reageer op dit artikel | Aantal reacties 0


Reacties:

regio
Familieberichten
Advertenties