De website frieschdagblad.nl maakt gebruik van cookies.
woensdag 22 november

Dossierdinsdag, 8 mei 2007

Rookgordijn rond de persoon van Jezus

Met de populariteit van boeken als De Da Vinci Code komt er ook steeds meer aandacht voor het esoterisch christendom en gnostische mythen. Prof. dr. G.P. Luttikhuizen las op verzoek van het Friesch Dagblad enkele boeken die Jacob Slavenburg hier over schreef. Hij is kritisch over zijn uitleg.

Door Gerard Luttikhuizen
In zijn Inleiding tot het esoterisch christendom beschrijft Jacob Slavenburg de oorsprong en de historische ontwikkeling van een spirituele stroming die hij het esoterische of innerlijk beleefbare christendom noemt. Dit innerlijke christendom gaat volgens de auteur terug op de wijsheidsleer waarin Jezus zijn leerlingen zou hebben onderwezen. Slavenburg heeft uit canonieke en niet- canonieke bronnen een verzameling ’’intieme leringen’’ van Jezus samengesteld. In deze door hemzelf gemaakte verzameling ziet hij een duidelijke lijn: het gaat erom dat mensen zich bewust worden van ’’de binnenkant’’ van bijbelse voorschriften en dat zij het Koninkrijk van God in zichzelf zoeken en vinden.
Het boek begint met wat de auteur als de voorgeschiedenis van het esoterische christendom beschouwt. Omdat het voor hem essentieel is dat Jezus zijn volgelingen heeft ingewijd in een geheime leer, gaat dit eerste hoofdstuk niet over het ’’exoterische’’ Oude Testament of over het geloof van Israël maar over Griekse en oud-oosterse initiatieriten en mysteriecultussen. Naast de bespreking van deze oude mysteriën en van de wijsheidsleer van Jezus zelf gaat het boek vooral over gnostische mythen, verhalen over de Graal en de Steen der Wijzen, de religieuze ideeën van theosofen, antroposofen en rozenkruizers en tenslotte over de opkomst van de new age beweging in de tweede helft van de vorige eeuw.
Voor oude en moderne gnostici is God niet een persoon buiten de mens maar een verborgen realiteit in het eigen innerlijk. Ook Christus is volgens Slavenburg een ’’transformerende kracht’’ in de mens zelf. Op de laatste bladzijde van De vrouw die Jezus liefhad schrijft hij: ’’De Christus-kracht, de Boeddha-natuur en het Krishna-bewustzijn zijn in ieder aanwezig en vragen om ontdekking.’’
Slavenburg merkt op dat veel schrijvers uitspraken van Jezus ’’in een bepaalde context hebben gezet’’ en slechts die tradities overleverden ’’die ze konden gebruiken om hun verhaal kracht bij te zetten’’. Elders schrijft hij dat vroegkerkelijk auteurs uit een bijbeltekst haalden wat zij eruit wilden halen. ’’En’’, voegt hij toe, ’’zo is het nog steeds’’. Zijn eigen boek bevat overduidelijke voorbeelden van deze omgang met bijbelse en andere teksten.
Met De vrouw die Jezus liefhad wil Slavenburg aantonen dat Jezus getrouwd was met Maria Magdalena. Daarnaast betoogt hij dat het kerkelijke christendom ’’de historische gegevens’’ over Jezus' relatie met Maria Magdalena heeft gemanipuleerd en de vrouw van Jezus uit de overlevering heeft geschrapt. Daarmee is het vrouwelijke element uit het christendom verdwenen en moest het verder ’’zonder de zachte kracht, de warmte, de aanvulling, het intieme, het vrouwelijke’’.
Slavenburg is niet de eerste die zegt dat Jezus en Maria Magdalena een liefdespaar vormden en één of meer kinderen hadden. Dit idee is vooral bekend geworden door Dan Browns Da Vinci Code, waarnaar de auteur ook enkele keren verwijst. Op het omslag van Slavenburgs boek zien we onder de titel ’’De vrouw die Jezus liefhad’’ een afbeelding van het centrale tafereel van Da Vinci's Laatste Avondmaal. Deze afbeelding van Jezus en zijn geliefde leerling zal veel lezers op het verkeerde been zetten (evenals het citaat uit Dan Browns boek op blz. 11), want anders dan in De Da Vinci Code wordt betoogd -- en anders dan de combinatie van titel en afbeelding suggereert! -- is die geliefde leerling volgens Slavenburg niet Maria Magdalena maar Lazarus.
Slavenburg veronderstelt dat Lazarus de broer was van Maria Magdalena. Hij kan zich hier baseren op een nabijbelse traditie die Maria van Magdala vereenzelvigt met de Maria die de zus was van Martha en Lazarus. In Slavenburgs reconstructie van de feiten ging Jezus samen met zijn vrouw in Bethanië op bezoek bij zijn schoonzus Martha en zijn zwager Lazarus. Als deze interpretatie klopt vraagt men zich af waarom de schrijver van het Evangelie van Johannes aan het begin van zijn verhaal over die ontmoeting (hoofdstuk 11) uitlegt wie deze Maria was maar er niet bij zegt dat zij de vrouw en de trouwe metgezellin van Jezus was.
De opwekking van Lazarus is volgens Slavenburg een inwijdingsrite geweest. Na zijn inwijding zou Lazarus de naam Johannes hebben aangenomen. Slavenburg meent dat deze persoon, Lazarus alias Johannes, de geliefde leerling was, de ooggetuige op wie de schrijver van het vierde evangelie zich beroept (Joh. 21:24).
Een belangrijke tekst voor Slavenburg is het zogenaamde Geheime Evangelie van Marcus, dat in de vorige eeuw ontdekt zou zijn in een Grieks-orthodox klooster in Palestina. Hierin wordt verteld dat Jezus de broer van een vrouw in Bethanië een nacht lang inwijdde in het mysterie van het Koninkrijk van God. Het is inmiddels zo goed als zeker dat de vele geleerden die de echtheid van dit geschrift hebben betwijfeld, gelijk hadden. Het blijkt te gaan om een op zichzelf knappe falsificatie van de hand van professor Morton Smith (overleden in 1991), die hiermee overigens niet wilde aantonen dat Jezus getrouwd was maar eerder dat hij geheime nachtelijke contacten had met mannelijke volgelingen.
We keren terug naar het begin van het boek over Maria Magdalena. In het eerste hoofdstuk bespreekt de auteur het verhaal over de bruiloft in Kana. Dit verhaal is volgens Slavenburg beter te begrijpen als we veronderstellen dat het hier om Jezus' eigen bruiloft gaat. Zijn bruid kon dan niemand anders zijn dan Maria Magdalena. Het probleem is echter dat de evangelist dit niet zegt en het waarschijnlijk ook niet heeft geweten, want aan het begin van het verhaal schrijft hij dat Jezus en zijn leerlingen op de bruiloft waren ’’uitgenodigd’’. Werd de bruidegom op zijn eigen bruiloft uitgenodigd? Slavenburg wijst zelf op een meer fundamenteel bezwaar tegen deze interpretatie. Het huwelijk met Maria van Magdala moet zijns inziens ’’veel eerder’’ hebben plaats gehad dan Jezus' doop in de Jordaan, toen Jezus volgens Slavenburg verenigd werd met de preëxistente Christuskracht. Deze gebeurtenis zou een grote ommekeer teweeg hebben gebracht in hun huwelijksleven. Als we met Slavenburg meedenken, verliet Jezus na zijn doop de echtelijke woning en trok hij daarna door het land. Maar het evangelie vermeldt de gebeurtenissen in omgekeerde volgorde: eerst wordt verteld over het getuigenis van Johannes de Doper over Jezus en over de roeping van verschillende leerlingen; pas daarna volgt het verhaal van de bruiloft in Kana. Vooral voor Slavenburg zou de volgorde van het evangelie een probleem moeten zijn. Hij meent immers dat de evangelist zich baseerde op informatie van Lazarus, de broer van Maria Magdalena. Zou de broer van de bruid niet weten dat de bruiloft eerder plaats had dan Jezus' doop in de Jordaan, de gebeurtenis die volgens Slavenburg zulke ingrijpende gevolgen had voor zijn huwelijk met Maria Magdalena?
Slavenburg baseert zijn theorie dat Jezus en Maria van Magdala getrouwd waren ook op het Evangelie van de Heilige Twaalf. Hij citeert hieruit de volgende passage: ’’En op zijn achttiende jaar werd Jezus uitgehuwelijkt aan Mirjam, een maagd van de stam van Juda, met wie hij zeven jaren leefde.’’ Slavenburg vertelt zijn lezers niet dat dit evangelie in het begin van de vorige eeuw geschreven is. In een korte inleiding bij dit geschrift wordt verteld dat het om een oorspronkelijk Aramees evangelie gaat dat Essenen al in de eerste eeuw naar een boeddhistisch klooster in Tibet hadden gebracht om het tegen vervalsing te beschermen. Het zou in het Engels vertaald zijn door overleden zieners en op paranormale wijze vanuit de andere wereld zijn doorgegeven aan de vrij-katholieke priester, G.J.R. Ouseley (volgens de Nederlandse vertaling: W. Ousley). De inhoud van dit evangelie heeft wel actuele waarde want Jezus wordt hierin als een dierenvriend beschreven. Tussen erg vrije weergaven van de Bergrede en het verhaal van de spijziging van een grote menigte mensen staat een hoofdstuk met de titel: ’’Jezus bevrijdt Konijnen en Duiven’’.
Meer serieus moeten we de verwijzing van de auteur nemen naar onlangs herontdekte oude gnostische geschriften, met name het Evangelie van Filippus, dat ook een belangrijke rol speelt in De Da Vinci Code. Slavenburg erkent dat dit geschrift jonger is dan de bijbelse evangeliën maar voegt daar aan toe: ’’een geschrift uit de tweede eeuw (hoeft) niet per definitie onbetrouwbaarder te zijn dan een oudere tekst.’’ Dit roept uiteraard de vraag op waaraan we betrouwbare overleveringen in jongere teksten kunnen herkennen. Op die vraag gaat de auteur helaas niet in. Met de boeken en artikelen die hierover de laatste vijftig jaar geschreven zijn zou een bibliotheek gevuld kunnen worden maar Slavenburg laat het bij een verwijzing naar zijn eerdere, meermaals herdrukte boek, Valsheid in geschrifte. De gespleten pen van bijbelschrijvers.
Aan het slot van zijn boek over Maria Magdalena verwijt Slavenburg de institutionele kerk dat zij van Jezus ’’een bleke halfgod maakte, die al Christus zou zijn bij zijn geboorte.’’ Ik kan niet aannemen dat hij evenals Dan Brown denkt dat Jezus in gnostische evangeliën nog als een mens van vlees en bloed wordt gezien en in bijbelse en vroegorthodoxe teksten als een goddelijke figuur. Iedereen die de teksten heeft gelezen weet dat het precies andersom is: de canonieke evangeliën spreken over een verlosser die echt mens is geworden (denk bijvoorbeeld aan de verhalen over het lijden van Jezus), iets wat in de meeste gnostische teksten, waaronder het Evangelie van Filippus en het vorig jaar bekend geworden Evangelie van Judas, uitdrukkelijk wordt ontkend.
Één passage uit het tweede- of derde-eeuwse gnostische Evangelie van Filippus staat centraal in het boek. Het wordt niet minder dan driemaal geciteerd (op blz. 15, 22 en 92). Volgens de vertaling van Slavenburg, luidt het begin van dat fragment: ’’Jezus hield op een andere wijze van Maria (Magdalena) dan van de andere leerlingen.’’ Deze vertaling kan inderdaad steun geven aan de veronderstelling dat Jezus een speciale relatie had met Maria Magdalena. Maar in de Koptische tekst staat niet dat Jezus ’’op een andere wijze’’ van Maria hield maar dat hij ’’meer’’ van Maria hield dan van de andere leerlingen. Dit is een gedachte die we in allerlei vroegchristelijke teksten tegenkomen. Het vierde evangelie spreekt bijvoorbeeld over een ’’geliefde leerling’’ (Johannes?). Volgens het Evangelie van Thomas was Thomas de enige leerling die Jezus goed begrepen heeft, in het Evangelie van Judas is Judas Jezus' uitverkoren leerling. Dat Jezus meer van Maria Magdalena hield hoeft dus niet op een liefdesrelatie te wijzen. De groepering waaruit het Evangelie van Filippus voortkomt, heeft evenals andere groeperingen haar afwijkende geloofsleer verdedigd met de claim dat die leer overgeleverd was door een vertrouweling(e) van Jezus, iemand die Jezus beter kende en zijn bedoelingen beter begrepen heeft dan andere leerlingen.
De m.i. juiste vertaling, ’’Jezus hield meer van Maria’’ etc., krijgt in het geciteerde fragment een vervolg. De andere leerlingen vragen Jezus, ook volgens Slavenburg, ’’Waarom houdt u meer van haar dan van ons allemaal?’’ Gesteld dat Maria Magdalena Jezus' geliefde en echtgenote was, is dit een tamelijk overbodige en ook ongepaste vraag.
Helaas heeft Slavenburg geen roman over Jezus en Maria Magdalena geschreven, zoals Marianne Fredriksson, Dan Brown en anderen. Maar dit boek kan ook niet voor een wetenschappelijke studie doorgaan, ondanks de soms technische argumentaties en ondanks de 219 noten en bijna 5 bladzijden geraadpleegde literatuur waarmee het besluit.
Jacob Slavenburg en Willem Glaudemans hebben in 2004 een volledig herziene versie gepubliceerd van hun oorspronkelijk in twee delen uitgegeven integrale vertaling van de geschriften van Nag Hammadi en de Berlijnse Codex. Het voordeel van de nieuwe editie, behalve de opname in één band, is dat de geschriften niet meer thematisch zijn geordend maar zijn afgedrukt in de volgorde die ze hebben in hun definitieve bewaarplaats, het Koptisch Museum in Cairo. Zoals de twee auteurs in hun Verantwoording schrijven, hebben ze in hun heruitgave op tal van plaatsen voor een andere vertaling gekozen. Een probleem blijft dat het niet gaat om vertalingen uit het Koptisch maar dat uitgegaan is van nieuwe vertalingen in andere moderne talen.
Woorden en uitdrukkingen kunnen vaak op meer dan één manier in een andere taal worden weergegeven. Soms lijkt de keuze voor een vertaling mede ingegeven door de modern-gnostische opvattingen van Slavenburg en Glaudemans. Het is hier niet de plaats om op allerlei details in te gaan. Ik geef na de passage ’’Jezus hield op een andere wijze van Maria’’, die in de integrale vertaling gelukkig tussen haakjes staat (maar het Koptische woord voor ’’meer’’ is goed leesbaar), nog één voorbeeld. In de boeken van Nag Hammadi en in de Berlijnse Codex komt regelmatig de van oorsprong Griekse term nous voor. In de hellenistische filosofie van die tijd betekende dat woord ’’verstand’’/’’intellect’’. In christelijke teksten kon het soms ook ’’geest’’ betekenen. In de uitgave van Slavenburg en Glaudemans is het altijd vertaald met ’’bewustzijn’’. Dit past goed in de theorie van de Christuskracht die Slavenburg, zoals al opgemerkt, gelijkstelt aan de Boeddha-natuur en het Krishna-bewustzijn dat in iedere mens aanwezig is. De vertalingen van Slavenburg en Glaudemans moeten kritisch gelezen worden. Maar hoeveel gebruikers van deze uitgave zullen beschikken over de kennis van oude talen, oude teksten en antieke ideeën die daarvoor nodig is?
N.a.v.:
‘Inleiding tot het esoterisch christendom. Een verborgen geschiedenis’ door Jacob Slavenburg; uitgeverij Ankh-Hermes, Deventer, 2005; 155 blz; prijs: 16,50 euro.
‘De vrouw die Jezus liefhad. Maria Magdalena: het ontkende mysterie’ door Jacob Slavenburg; uitgeverij Walburg Pers, Zutphen, 2006; 159 blz; prijs: 19,95 euro.
‘De Nag Hammadi-geschriften. Een integrale vertaling van alle teksten uit de Nag Hammadi Codices en de Berlijnse Codex’ door Jacob Slavenburg en Willem Glaudemans; uitgeverij Ankh-Hermes, Deventer, 2004, 3e druk 2005; 1250 blz; prijs 59,50 euro.
Prof. dr. G.P. Luttikhuizen was tot 2005 hoogleraar in de oudchristelijke letterkunde en de uitlegging van het Nieuwe Testament aan de Rijksuniversiteit Groningen

Vertel een vriend | Reageer op dit artikel | Aantal reacties 0


Reacties:

dossier
Familieberichten
Advertenties