De website frieschdagblad.nl maakt gebruik van cookies.
woensdag 22 november

Hoofdartikelzaterdag, 27 mei 2006

Eastrum
It berjocht oer de dea fan fjouwer jonge minsken út Ie en Jouswier trillet nei yn de herten fan elts dy’t it heard hat. Men kin allinne mar in fermoeden hawwe fan wat dit betsjut foar de húshâldings, de famylje en de freonerûnte.
It praat oer it ûngemak sa’t men dat heart, is al gau te plat. Algemiene wierheden oer diken, auto’s, snelheid en jongerein binne der by troch. It giet ommers net om algemienheden, mar om it meast konkrete en absolute dat men betinke kin: de dea fan fjouwer jonge minsken. Better is it om stil te wêzen, mei te gûlen en mei te libjen, ek yn positive tinzen oan de stoarne fjouwer en yn it gebet foar harren en foar harren neisten.
Veertig dagen…
We leven in de tien dagen na Hemelvaartsdag. In deze dagen waren de discipelen bij elkaar, samen met de vrouwen die tot de kring van Jezus behoorden. Omdat de Heer hun had gezegd niet uit Jeruzalem te gaan, maar daar te wachten. Waarop precies, wisten ze niet; ze hadden alleen de belofte van Jezus dat ze de doop met de Geest zouden ontvangen. Ze hadden destijds niet precies begrepen wat dat betekende. Ze vroegen Jezus of Hij het koningschap over Israël zou herstellen.
Het waren geen gemakkelijke dagen. De discipelen en de vrouwen wisten niet wat hen te wachten stond. Wel wisten ze dat de Heer met wie ze geleefd hadden, weg was. Wéér weg. Ze hadden hem verloren toen Hij stierf aan het kruis. Toen was Hij terug gekomen uit de dood - in de wonderlijke gestalte van het verheerlijkte lichaam. Niet iedereen had Hem kunnen zien, alleen aan wie Hij verscheen, werd Hem gewaar.
Nu zaten ze te wachten - zou Hij zich na zijn hemelvaart nog een keer laten zien? In de onzekerheid van deze dagen restte hen niets anders dan te bidden. Ze deden dat in de ruimte waar ze - naar alle waarschijnlijkheid - ook het laatste avondmaal hadden gehouden: het bovenvertrek. Er zijn aanwijzingen, bijvoorbeeld in de evangeliën van Marcus en Lucas, dat het gaat om een vertrek in het huis van de Orde van de Essenen. De aanwijzing hiervoor ligt in de woorden waarmee Jezus de discipelen op weg stuurt naar de zaal waar Hij met zijn discipelen het avondmaal zal gebruiken: ’Ga naar de stad. Daar komt jullie een man tegemoet die een waterkruik draagt’. Het was hoogst ongebruikelijk dat in Israël een man een waterkruik droeg; gewoonlijk deden vrouwen dat. Behalve bij de Essenen. Bij hen was het halen van het water voor de voetwassing voorbehouden aan hooggeplaatste mannen. Daarom was de man met de waterkruik een duidelijke aanwijzing: hem moesten ze volgen naar het huis en naar de zaal. Mede door de vanzelfsprekendheid waarmee in het bijbelboek Handelingen over ’het bovenvertrek’ wordt gesproken, kan worden vermoed dat de discipelen tijdens het laatste avondmaal, in de dagen tussen Pasen en Hemelvaart en tussen Hemelvaart en Pinksteren, in datzelfde huis verbleven. Tot op de dag van vandaag wordt in Jeruzalem gezegd dat dit huis is gebouwd op het graf van David.
...en het volmaken van de vijftig
De tien dagen tussen Hemelvaart en Pinksteren maken de periode van vijftig dagen na Pasen vol. Vijftig is het getal dat komt na een cyclus van zeven maal zeven. De vijftigste dag na Pasen is een bijzondere dag, net zoals het vijftigste jaar een bijzonder jaar is - het jubeljaar. Op die heilige dag van het Pinksterfeest wordt de belofte van Jezus vervuld: de discipelen worden gedoopt met de Geest. Dan komt Hij die ze hebben zien verdwijnen terug, de Geest neemt bij hen intrek. Op die dag is de zaal waar ze zoveel met Hem hebben meegemaakt, te klein; de Geest drijft hen naar buiten, de wereld in. Want de Geest wil wonen in mensen tot aan de uiteinden van de aarde.

Vertel een vriend | Reageer op dit artikel | Aantal reacties 0


Reacties:

hoofdartikel
Familieberichten
Advertenties