De website frieschdagblad.nl maakt gebruik van cookies.
zondag 23 juli

Geloof & Kerkwoensdag, 1 oktober 2003

Werken van Augustinus vinden nog immer gretig aftrek
Inwijding in mysteries van het geloof
Augustinus (354-430) was een van de invloedrijkste kerkvaders en een grondlegger van het westerse denken. Zijn boeken vinden nog altijd gretig aftrek. Allereerst omdat hij iemand is die zich ‘levensecht’ laat kennen. Een tweede reden waarom zijn werken nog steeds zo populair zijn, zit hem volgens Paul van Geest in de aantrekkelijkheid van de manier waarop hij zijn lezers inwijdt in het mysteries van het geloof.
PAUL VAN GEEST
De Belijdenissen van Augustinus kunnen geduid worden als een autobiografische expressie van wederwaardigheden en emoties, of, beter nog, als een gebed, waarin Augustinus verhaalt van zijn ontdekking, dat wie zichzelf wil kennen, op zoek moet naar God.
Maar het werk is meer dan dat. De genialiteit van Augustinus én zijn diepste intentie bij de vervaardiging van het werk, verraadt zich als je de structuur van de Belijdenissen in ogenschouw neemt én je beziet hoe de Schrift en de liturgie van die dagen erin weerklinken.
Zo bevat het werk, als je de structuur beziet, meer ‘theologie’ dan je op grond van Augustinus’ autobiografische openheid zou vermoeden. J. O’Donnell heeft aangetoond dat het elfde tot en met het dertiende boek van de Belijdenissen handelen over de Drieëenheid. Boek XI gaat immers over de schepping van de tijd door de Vader, XII over de wereld als manifestatie van het woord, de Zoon en XIII over Heilige Geest als liefde die de drie goddelijke personen verbindt.
Uit parallellen met de structuur van Augustinus’ werk over de eenheid in de Drieëenheid, De Trinitate , valt op te maken dat hij dus in de Belijdenissen méér wilde dan zich onderwerpen aan een zelfonderzoek. Hij wilde zijn leven, alsook de menselijke vermogens als de herinnering, wil en het verstand, duiden in het licht van het mysterie waaruit het leven voortkomt en dat alle leven overstijgt.

Diepere intentie

Maar De Trinitate is zeker géén steriele denkexercitie vol speculatie. Het werk verraadt een diepere intentie dan alleen maar de wil ‘de Triniteitstheologie’ uiteen te zetten. Reeds in het begin van De Trinitate nodigt Augustinus zijn lezer (‘quisquis haec legit’) uit mét hem te gaan zoeken naar de waarheid van het mysterie van God, maar dan wel zó, dat zij samen gaan ontdekken dat ieder naar dit beeld van God geschapen is (XV, 1). Doel daar bij is eraan te werken dat ieder vanuit deze overtuiging zijn omgang met anderen gestalte gaat geven. In De Trinitate toont Augustinus dus veeleer zijn kwaliteiten als mystagoog : als iemand die een ander op een levensbepalende wijze wil invoeren in het mysterie van het geloof.
Juist de structuur van de laatste drie boeken van de Belijdenissen doet vermoeden dat Augustinus hier niet alleen maar een autobiografie mee wilde schrijven. Zoals De Trinitate geen steriele theologie is, zo is de Belijdenissen geen ontboezemende autobiografie. Aan beide werken ligt hetzelfde streven ten grondslag en ze hebben op grond daarvan veel meer met elkaar gemeen dan een indeling naar genre suggereert.
Ook in de Belijdenissen is Augustinus vooral als mystagoog aan het werk. Dit vermoeden wordt bevestigd als je kijkt naar de verwijzingen naar de Schrift en de liturgie. Als iemand heden ten dage zijn gevoel weergeeft met de woorden dat ‘des Heren hand’ hem geleidt, herkent iedere protestant hierin de schatplichtigheid aan de woorden van het bekende lied uit het Liedboek voor de Kerken . Zo ook betoont Augustinus in het verwoorden van de wapenfeiten en drijfveren van zijn jeugd schatplichtigheid aan teksten uit de Schrift en de liturgie. Dit moet bij zijn gelovigen eenzelfde soort herkenning hebben opgeroepen.
Zo zorgde Augustinus ervoor dat ze niet alleen in zijn leven maar vooral in het leven van de kerk werden meegevoerd. Spreekt hij immers in boek I van de Belijdenissen over de doop in liturgische termen, in boek VIII lijken subtiele verwijzingen naar de liturgia verbi (dienst van het woord) de opmaat te vormen voor boek IX, waarin veelvuldig de woorden van de christelijke initiatieriten resoneren. En spreekt hij in boek X vervolgens over de eucharistie, die hij als priester celebreert, in boek XI verwijst hij naar het houden van een homilie, waarvan biograaf Possidius meldt dat dit alleen de bisschop was voorbehouden.
Zo zien we aan de hand van de structuur én de wijze waarop Augustinus zijn woorden kiest, dat hij ten diepste mystagoog wilde zijn, zoals hij dit ook in De Trinitate zou nastreven. De onderliggende liturgische structuur en de woordkeuze leren dat Augustinus ook in de Belijdenissen zijn gelovigen ook wilde invoeren in geheimen van de christendom. Dit deed hij dus op een heel aparte wijze. Hij schroomt immers niet ten nutte van dit doel zijn eigen leven weer te geven op een toch zo eerlijk mogelijke wijze. Maar omdat hij zijn eigen verhaal ontsluit aan de woorden van de Schrift en de liturgische momenten tot structurerende principes maakt, lijkt hij eerst en vooral een voorganger te willen zijn. Een mystagoog die anderen invoert in het mysterie en de bron van alle leven, God.

Inspirerend

In het streven zijn leven te verwoorden ten dienste van de groei van zijn gelovigen, is Augustinus’ grootheid gelegen. Klaarblijkelijk schroomde hij immers niet, zich als mystagoog en gezagsdrager kwetsbaar op te stellen bij de verkondiging van zijn boodschap. Dit streven moet bijzonder inspirerend zijn geweest voor de gelovigen van zijn tijd. Het strekt tot aanbeveling, en heeft in elk geval van Augustinus een groot en heilig (dat is heelmakend) mens gemaakt.
Het eerste deel van dit tweeluik stond gisteren in de krant. Prof. dr P. van Geest is hoogleraar Augustijnse Studies aan de Universiteit te Utrecht

Vertel een vriend | Reageer op dit artikel | Aantal reacties 0


Reacties:

Geloof & Kerk
Familieberichten
Advertenties